BALLUM AMELAND

 

  • 06-22485795
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Welkom op deamelander.nl

De Slag om de Schelde, gezien door de zevenjarige Ton Verplanke

De film ‘De Slag om de Schelde’ is zeker een succesfilm, maar door de coronacrisis niet de kaskraker geworden, die men ervan verwachtte. In het jaar 2020, 75 jaar na de beëindiging van WOII was het verhaal op het witte doek bedoeld als het einde van een herdenkingsjaar. Ik zag de film niet in de bioscoop, maar op Netflix voor het eerst. Toch had ik het verhaal in mijn fantasie al veel en veel vaker gezien, maar dan met als hoofdpersoon een kleine jongen van zeven. Het jongetje van toen wat ik voor me zag, heette Ton Verplanke. Ik kende hem tussen zijn zeventigste en zijn vijf en tachtigste levensjaar en hopelijk zal ik hem nog wel even langer kennen, want hij leeft ook nu nog. Gedurende een aantal jaar at hij op dinsdagavonden bij ons aan de keukentafel met ons een bordje mee. Hoe vaak zal hij het verhaal rond de Slag om de Schelde aan ons verteld hebben…

Even zoveel keren hebben we ontzet naar hem geluisterd. Ik ben pasgeleden bij hem langs gegaan om zijn verhaal op te schrijven. Een verhaal dat begint op een boerderij in Nieuwvliet in Zeeuws-Vlaanderen, een boerderij die net als de boerderij van de familie IJnsen in Hollum maar 100 meter van de dijk ligt. Ton vertelde me zijn verhaal in zijn eigen woorden. Ik nodig u uit om mee te lezen.

De boerderij met de rode pannenschuur

Ik zie het nog steeds voor me. Het moet midden oktober 1944 geweest zijn. Hier op Ameland werd het eiland pas begin juni 1945 bevrijd, wij waren in Zeeland heel veel verder. Na de landing van de geallieerden in juni bij Normandië trokken de Duitsers zich terug, hun oorlogsmaterieel was bij het Oostfront nodig. De Amerikanen, Engelsen en Canadezen konden snel doorstoten en er ontstond een groot, breed front. Zo spoedig mogelijk moest een grote buitenhaven worden veroverd om de geallieerde bevoorradingen mogelijk te maken en zelfs op te voeren. Antwerpen was al op 4 september bevrijd, zonder weerstand van betekenis. De haven kon echter pas gebruikt worden als de Westerscheldeoevers gezuiverd waren van Duitse troepen. Onze boerderij stond vlakbij de rivierdijk van de Schelde en op 100 meter van de plek waar de Schelde in de Noordzee stroomt. Het leek op de boerderij van de familie IJnsen bij het Suudwest van Hollum. Als ik die zie, denk ik aan vroeger. Bij de vissers functioneerde de houten schuur als baken. Zijn felrode daken en het feit dat de schuur in één lijn stond met de vuurtoren van Westkapelle maakten van de schuur een oriënteringspunt, daarlangs voeren de vissers de Westerschelde op. De rivier was vijf kilometer breed en toegangspoort naar Antwerpen, dé haven van Europa en verschrikkelijk belangrijk voor de Duitse verdediging. In 1942 waren we gesommeerd om onze boerderij te verlaten. Vlakbij onze boerderij waren bunkers gebouwd van gewapend beton van 3.50 meter dik. Daartussenin stonden de kanonnen verscholen, alleen een klein gaatje waar een korte loop uit te voorschijn kwam, verried waar kanonvuur te verwachten was. We woonden in oktober 1944 al twee jaar bij een oom van mijn vader, vlakbij de Belgische grens. Achter de boerderij liepen twee kanalen, waar de Canadezen tot dan toe achter gebleven waren, maar lang kon dat niet meer duren. Gedacht werd dat de zuivering van noordwest-België en het gebied rond de Westerschelde binnen vier dagen met een felle aanval zou zijn voltooid, maar dat pakte anders uit: vier dagen werden veertig dagen. Mijn vader vreesde dat we midden in het front terecht zouden komen. ‘Hier blijven we niet’, besloot mijn vader ‘we gaan terug’. En zo vertrokken we: met mijn moeder, die pas een baby had gekregen, mijn iets oudere zusje, ons huisraad op de wagen, de koeien, de paarden en de schapen. Er waren mijnenvelden overal, maar mijn vader had tekeningen van de mijnenvelden en via een smal pad loodste hij ons terug naar onze boerderij aan de dijk. We waren net aangekomen op onze boerderij. We hoorden hoe de geallieerden de dijk van Westkapelle bombardeerden. Ik weet nog dat we de dijk opklommen om te kijken. Er was een enorm tegenvuur van de Duitsers, we zagen hoe bommenwerpers werden neergeschoten, maar nieuwe bommenwerpers bleven komen. Wat betreft de tegenstand werd door het geallieerde opperbevel een inschattingsfout gemaakt: 5.000 Duitse soldaten bleken er in werkelijkheid 17.000 te zijn. Door de vernieling van de dijk stroomde Walcheren onder water, maar de Duitse bunkers waren onbereikbaar. Die kant van de Schelde was nog stevig in Duitse handen. Die dag en nacht landden er Polen bij Axel en Canadese parachutisten bij Hoofdplaats Biervliet.

Een paardenziekenhuisje met veertig gewonde en zieke paarden.

Wij zaten weer op onze boerderij en hebben daar gedurende een paar weken gewoond, er was niemand. Maar plotseling veranderde dat. Een Duitse veearts stapte het erf op met zes helpers en veertig paarden. Ze waren stomverbaasd dat er mensen waren, in hun papieren stond dat ze lege gebouwen zouden aantreffen. De Duitsers kwamen bij ons in huis wonen, de voor een deel gewonde paarden werden verzorgd in de schuur. Als de paarden genezen waren, gingen ze terug, naar hun transportonderdeel en er kwamen andere gewonde paarden terug. Totdat er een hogere commandant ons als burgers ontdekte en ons sommeerde om te vertrekken. We moesten weer weg! De veearts protesteerde; hij beweerde niet zonder mijn moeder te kunnen: ‘Ich habe die Frau gefragt zu kochen’. Dus we bleven. We, ons gezin, sliepen ’s nachts in de kelder. De helpers van de veearts gingen ’s nachts op weg om voer te halen voor de paarden. Overdag gooiden ze hun ransels naar beneden in de kelder en daar sliepen zij gedurende de daguren, een aantal had dienst bij de paarden en sliepen in de schuur. De veearts liep heen en weer, hij kookte en mijn moeder hielp hem daarbij. We aten met z’n allen, het was een heel harmonisch gebeuren. Mijn oudste zusje was vier jaar jonger dan ik. Ik had mijn eigen moeder een aantal dagen na mijn geboorte verloren en had bij mijn oma gewoond. Toen mijn vader hertrouwde werd ik de oudste in het gezin. De veearts had zelf een dochtertje en had haar in jaren niet gezien. Hij nam mijn zusje vaak op schoot, hij was gek op haar, maar natuurlijk was hij meest in de schuur, in zijn ziekenhuisje van gewonde en zieke paarden. Er was genoeg voer. Door dat ’s nachts aan te voeren, lukte het de manschappen te ontsnappen aan de bombardementen, die overdag onverminderd plaatsvonden. Op zekere ochtend kwam een motorordonnans langs met een bevel: we moesten weg. Het bevel was dat we naar Groede moesten gaan, een dorpje waar burgers werden opgevangen. Om dat aan te geven waren op alle huizen van Groede rode kruisen aangebracht. Dus we laadden alles op onze vluchtwagen en gingen weer op stap. Halverwege onze tocht kwamen we Duitsers tegen met mijnen onder de arm. Ze stuurden ons terug, de weg was verderop niet veilig. Voor de nacht konden we echter onze boerderij niet meer bereiken.

De bouw van een schuilkelder

Bij een hoek in de zeedijk vlakbij een arbeidershuisje troffen we meer mensen. Ze waren bezig een grote kuil voor een schuilkelder te graven, een kuil van een paar meter diep. Er waren metalen golfplaten om de kuil af te dekken. We hadden eten bij ons voor de tocht en waren welkom. Onze paarden werden uitgespannen. Met man en macht werd meegeholpen om de schuilkelder klaar te krijgen. Dat trok de aandacht van de mannen van de Kriegsmarine. Ze keurden het bouwwerk af, een granaat zou door de metalen golfplaat heen branden en ontploffen in de kelder tussen de mensen. Van het arbeiderswoninkje haalde de Kriegsmarine de pannen af, die door ons, mannen en jongens, op de metalen platen werden gelegd. Volgens de militairen zou het granaatvuur afketsen op de pannen en zouden we veilig zijn. Daar zaten we dan… De Kriegsmarine trok zich terug in de loopgraven boven op de dijk, wij bleven achter in de schuilkelder waar we de ene granaat na de andere hoorden ontploffen. Onze paarden liepen nog buiten. Het was een ruimte van drie bij vier, we waren met 30 man... Mijn vader had een hooipak van de wagen gehaald om de opening af te sluiten. Mijn kleinste zusje, nog een baby, huilde onophoudelijk. Plotseling werd het hooipak geraakt door een granaatscherf en die trof het oor van mijn vader. Het leek een enorm bloedbad. We begrepen min of meer wat er buiten onze schuilplaats gebeurde. Er waren Canadese militairen met kleine tankjes op rupsbanden geland vlakbij ons. Ze reden op een smal landweggetje tussen de mijnenvelden, door het vele staal van de tanks redelijk beschermd voor de mijnen. Het tankje wat voorop reed, werd echter getroffen door een voltreffer van een kanon van de Kriegsmarine en versperde de smalle landweg. De meegekomen Canadezen zochten beschutting rond het arbeiderswoninkje. Daar lagen ze onder zwaar artillerievuur. De schrik was daardoor ook in de schuilkelder uitgebroken, kinderen huilden zonder ophouden, met de vrouwen zaten ze vooraan in de schuilkelder, de mannen achterin. We begrepen dat er artillerie in stelling was gebracht om het landweggetje te beschieten. Er klonk geweervuur van de Canadezen, die op hun beurt van bovenaf door de Duitsers vanuit hun bunkers werden beschoten. Het was een onbeschrijfelijk kabaal. De Canadezen hadden geen schijn van kans. Toen het aan het eind van de middag doodstil was, schoof één van de mannen het stro weg voor de ingang en waagde het te kijken. We zagen hoe de Canadese soldaten met hun handen omhoog tegen de muur van het huisje stonden. Ze hadden zich overgegeven en werden afgevoerd, naar wat later een noodkampje bleek. Ze zouden allemaal omkomen door bomvuur. We waagden het om naar buiten te komen maar de Kriegsmarine schopte ons weer terug.

Het bleef stil waar wij waren

Het bleef stil, ook gedurende de nacht, er werd niet meer geschoten. De volgende morgen werd het weer licht en besloten sommigen te gaan kijken. Ze kwamen terug met nieuws: ‘Er rijdt een Canadese auto over de weg’. Het front had zich verplaatst en bevond zich nu drie kilometer verderop. We konden terug naar onze huizen, het was veilig zeiden de Canadezen. Ons gezin heeft alles weer op de wagen geladen en onze gewonde paarden voor de wagen gespannen. Het zal mij altijd bijblijven. Onze paarden waren gewond aan hun voorbenen. Mijn vader zat op de bok met de lijnen in zijn handen om de paarden in beweging te houden. Over de wagen was een zeil gespannen, daar bovenop zat mijn moeder op een stoel, met in haar armen de baby, uitgeput door het huilen in de schuilkelder. Wij liepen naast de wagen, mijn zusje van vier en ik. De eerste vierhonderd meter waarlangs wij liepen, lag vol met gesneuvelde mannen van de Kriegsmarine, die ons een dag ervoor nog hadden geholpen onze schuilplaats te verbeteren door de pannen van het arbeidershuisje af te halen. Gek dat ik daar gewoon langsheen heb geleefd. Die emotie verstop je, we zijn moeizaam als het ging naar de boerderij gelopen.

De rode pannenschuur was kachelhout geworden.

We vonden meer dan tachtig granaatputten op ’t erf. Nadat we de dag ervoor waren weggestuurd was de artillerie gekomen en was het schieten naar de frontlijn begonnen. Overal lagen grote hopen granaten en andere militaire uitrustingsstukken. Het huis was een puinhoop, bijna alle ruiten waren gesneuveld en er waren weinig pannen meer over op het dak. Er liepen nog een paar van onze runderen rond in de boomgaard. Eén had het slechter getroffen. Voor hij wegging had mijn vader haastig deze koe nog gemolken en haar daarom vastgebonden aan een kanon. Met dat kanon was geschoten. Kanonniers lagen gewoonlijk gebukt met hun hoofd op de grond als ze het kanon afvuurden. De koe had dat niet gekund... Ondanks de ellende: we leefden nog. In Zeeuws-Vlaanderen waren alle dorpen platgebombardeerd, ook Sluis een wat grotere plaats. Er waren burgerdoden bij gevallen. Na zeer hevige gevechten door zware Duitse tegenstand en door slechte weersomstandigheden was de regio pas op 1 november 1944 volledig bevrijd. De prijs was hoog. Zeeuws-Vlaanderen bleef achter met veel leed en verdriet.

Toen kwam Koningin Wilhelmina

Ik ging inmiddels weer naar school. Op een dag werd ons verteld dat we onze fiets moesten meenemen. De koningin zou naar Oostburg komen en alle schoolkinderen en zoveel mogelijk burgers moesten erheen. Daar gingen we op een ratjetoe van versleten fietsen, met de fietsenmaker er achteraan. Aangekomen kwamen we op een plein met meters hoog puin, daarvoor een iets lagere puinmuur, waar we voor moesten gaan staan. Koningin Wilhelmina kwam in een enorme Amerikaanse auto en was gekleed in een bontjas. Ik kan me alleen die grote jas nog herinneren.

De zeventienjarige broer van mijn moeder, een lopend talenwonder, was in Amerikaanse dienst

Voor de oorlog al waren de jongere broers van mijn moeder naar Frankrijk verhuisd en daar hadden ze een boerderij gesticht. De boerderij had gedraaid op onderduikers van allerlei pluimage: neergeschoten Engelse piloten, gedeserteerde Duitsers, mensen uit de Balkan, Polen. Mijn toen zeventienjarige oom Albert had met iedereen leren praten en uitgelegd welke taken op het boerenbedrijf van hen verwacht werden. Toen de Amerikanen Frankrijk bevrijdden hadden ze een probleem: ze spraken geen woord Frans. De Amerikanen, het Derde Amerikaanse Pantserbataljon, hadden de boerderij gepasseerd en daarbij mijn oom Albert ontmoet. Ze hadden hem nodig om te communiceren en hesen hem in een Amerikaans legeruniform met de nodige stars and stripes. Zo was hij met het Amerikaanse leger meegetrokken, de Elzas door, via de Balkan naar het noordelijker gelegen Berlijn. Daar had hij verlof opgenomen en was teruggekeerd in de kleren die hij droeg: zijn uniform met op zijn borst de medailles opgespeld, die hij had verdiend voor zijn diplomatieke vertaalklussen. Het Derde Pantserbataljon zou doortrekken tot voorbij Moskou. Oom Albert stapte bij ons binnen. Hij was welkom bij zijn oudere zuster, onze moeder, dus ook bij ons. Er was zoveel te repareren en hij was handig. In de zomer van 1945 begon de enorme klus van het opruimen van de mijnen en munitie. Niet ver van onze boerderij vandaan werd die tot ontploffing gebracht in een ondiep meertje. Het veroorzaakte een gigantische knal en schade! De laatste ruiten vlogen uit de ramen, van de weinige dakpannen waren alleen resten over. Oom Albert ging verhaal halen bij het Militair gezag. Daar konden ze slecht tegen, dus werd hij opgeroepen om op het bureau te verschijnen. Oom Albert vroeg zijn zuster, onze moeder om zijn uniform te repareren en de vouwen er weer in te persen. Ook de medailles werden weer opgespeld. Bij binnenkomst op het kantoor van het Militair gezag eiste hij een groet en lichtte zijn klacht toe. We kregen een schadevergoeding. Onze schuur werd herbouwd en er bleven voldoende pannen over om het dak van het huis weer te dekken. Ik vertel dit verhaal om aan te geven hoe onstabiel een naoorlogse situatie is. Je ziet dat nog steeds, het was zo in Syrië en pasgeleden ook in Afghanistan. Gebeurtenissen in de oorlog hebben me gevormd. Ik realiseerde me dat toen ik lang moest wachten voordat ik een hartoperatie kon ondergaan; mijn leven trok aan me voorbij. Die jaren van oorlog in mijn vroege jeugd maakte dat ik levenslang de kant van de vredesbewegingen koos.

Nawoord:

Ton Verplanke ging niet in militaire dienst. Hij doorliep de Sociale Academie de Horst in Driebergen. Gedurende zijn eerste baan introduceerde hij Sociaal Cultureel Werk op Ameland. Het blijkt van grote waarde voor het eiland, De Toel in Nes en Ons Hol in Hollum zijn een begrip geworden. Daarna volgden andere projecten, maar altijd bleef hij ook Amelander. Op zijn 85e woont hij nog steeds hier in zijn huisje in Hollum. Hij was een zeer verdienstelijk beeldhouwer, koos voor onderwerpen, die relaties of liefde uitbeeldden. Op een schoolbord voor zijn huisje schreef hij jarenlang kleine gedichtjes, niet zelden doordenkers! Rond zijn 80e verjaardag werd in 2016 zijn gedichtenbundel ‘Open’ uitgegeven.
Nu, op zijn 85e, belt hij en zegt: ‘Ik zou er alles aan willen doen om de wereldvrede naar een hoger plan te tillen’.


De Amelander

Strandweg 1, 9162 EV Ballum
E.: klaastouwen@deamelander.nl
T. 06 22 48 57 95

Een eerste kennismaking
Advertentietarieven 2024
Uitkomstdata 2024

Disclaimer

Contactformulier