• 0519-555100
  • 06-22485795
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Welkom op deamelander.nl

De grote mantelmeeuw is de grootste soort met een spanwijdte van ongeveer 1,5 meter en een lengte van 74 cm. Volwassen vogels hebben een zwarte mantel. Jonge vogels zijn gespikkeld bruin en krijgen pas in het derde voorjaar hun zwarte mantel.

In tegenstelling tot de meeste andere meeuwen, gedragen grote mantelmeeuwen zich geregeld als kleptoparasiet en predator. Ze beroven heel vaak andere zeevogels van hun prooi, maar zij volgen ook bultruggen, haringhaaien en blauwvintonijnen om te profiteren van de vissen die deze dieren opjagen naar het zeeoppervlak.

Grote mantelmeeuwen zijn vooral berucht als predator in zeevogelkolonies waar zij eieren en kuikens opvreten van papegaaiduikers, zeekoeten, zilvermeeuwen, kokmeeuwen, visdieven, Noordse pijlstormvogels en kuifduikers. Zij kunnen ook volwassen papegaaiduikers, sterns, zangvogels op trek en kleine eenden aanvallen, verdrinken en in hun geheel naar binnen werken.

De vogel komt voor in een groot gebied aan de kusten van de noordelijke Atlantische Oceaan en de Noordzee.

In Nederland en België komt de grote mantelmeeuw voor als overwinteraar in een groot aantal en als overzomeraar in klein aantal, vaak samen met de zilvermeeuw. Verder is het een uiterst schaarse broedvogel.

In 1993 vestigde de grote mantelmeeuw zich als broedvogel in Nederland. Daarna breidde het aantal zich uit. Sinds 2004 is er een eind gekomen aan deze uitbreiding. Het is dus niet helemaal zeker of deze vogel als broedvogel een blijvertje wordt.


De kleine mantelmeeuw heeft een leigrijze mantel, in tegenstelling tot de zilvermeeuw die lichtgrijs is. Verder heeft hij gele poten, in tegenstelling tot grote mantelmeeuw die roze poten heeft.

De kleine mantelmeeuw leeft vooral van (zee-)vis, en zwemkrabben, maar ook op het land wordt veel gefoerageerd (zoogdieren, insecten, in minder mate ook afval).

De kleine mantelmeeuw broedt in kolonies langs de kust en in veel landen in toenemende mate op daken in steden. Zijn nest is een nestkuil op de grond, meestal gemaakt van losgetrokken gras, waarin twee of drie eieren worden gelegd.

De kleine mantelmeeuw komt in Nederland vooral voor in het Waddengebied en in de Zeeuwse Delta. Ooit was het een zomergast maar de vogel wordt tegenwoordig ook 's winters in kleine aantallen waargenomen.


Het visdiefje is een tweelingsoort van de noordse stern. Het visdiefje is de algemeenste stern en bereikt een lichaamslengte tot ongeveer 35 centimeter. Het is een slanke vogel met een zwarte kopkap en een diep gevorkte staart.


De noordse stern verschilt niet zo veel van het visdiefje in uiterlijk. De snavel is in het broedseizoen echter geheel bloedrood, zonder zwarte punt.
De noordse stern is een uitgesproken trekvogel, die broedt op het noordelijk halfrond en overwintert op het zuidelijk halfrond.


De grote stern is te herkennen aan zijn zwarte kuif en snavel met een klein geel puntje. De jaren dertig van de 20e eeuw waren de gloriejaren voor de grote stern, toen er ongeveer 35.000 paren in Nederland broedden vooral in het Waddengebied.


De snavel en de poten van de kokmeeuw zijn diep, donkerrood, kop en keel zijn donker chocoladebruin. Ze hebben een smalle, witte oog-ring. Vanaf de hals verandert de kleur in wit. Die kleur loopt door in de onderdelen en de staart.

Mantel en vleugeldekveren zijn zilvergrijs. In de winter is de onderkant van de vleugel donkerder. Voor de rest is deze meeuw geheel wit. In de winter wordt zelfs zijn kop wit.

In de vlucht hebben ze een witte vleugel voor-rand waaraan ze duidelijk te herkennen zijn. Ook vallen hun lange, spitse vleugels dan op.

De jongen bezitten een grijsachtige kop, een gele snavel met een zwarte punt, bruingrijs gevlekte vleugeldekveren en een zwarte dwarszoom over de staart. Hun buitenste grote slagpennen zijn zwart met een witte centrumvlek. Hoe ouder de meeuwen worden, hoe meer dat bruin verdwijnt.

Ze worden ongeveer zo groot als een stadsduif en zijn kleiner dan de zilvermeeuw.

Ze roepen vaak luid en krijsend ‘kweeerr’, ‘krièh’, alsof hij boos is, of ‘kekeke’. Tijdens het broedseizoen maken ze duikelende vliegbewegingen.

Het zijn alleseters, die zich vooral voeden met larven, slakken en wormen, die ze vinden op wei- en bouwland. Ze eten ook visjes, vogeleieren, muizen en kleine vogeltjes. Ze scharrelen tussen drijvend afval en komen met honderden af op mensen die de eendjes komen voederen.

Hun geringe schuwheid en hun grote aanpassingsvermogen hebben de kokmeeuw al sinds 1900 in staat gesteld te profiteren van de bijzondere voedingsbronnen die onze moderne steden zijn.


© 2020 De Amelander. Alle Rechten Voorbehouden. Design by Webtool4all