• 0519-555100
  • 06-22485795
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Welkom op deamelander.nl

Ooit ging hij als zeventienjarige met een ploegje knapen naar Terschelling. Ze kwamen er op zaterdag aan, maar op maandag al nam Jan een rigoureuze beslissing. Hij wist dat zijn ouders op Ameland op vakantie waren en verliet Terschelling. Met een tweetal andere maten stapte hij op de veerboot naar Harlingen, nam de trein naar Leeuwarden en vervolgens de bus en boot naar Ameland. Hoe komt het dat een man gedurende zijn hele leven, als kind, tiener, jonge vader en oudere man zo hield van een eiland? Op Terschelling zou hij niet terugkeren.

De eerste vakantie na de oorlog

Jan Blaak vertelt: ‘Net na de oorlog werd ik geboren op 29 juni 1945. Mijn vader had een boot- en sloepbouwerij in Hoogezand. In de periode die hieraan vooraf ging, de oorlogsperiode, had mijn moeder een enorm verlies geleden, haar broer was samen met een andere verzetsstrijder in 1944 doodgeschoten door de Duitsers, hij was pas 22 jaar. Mijn moeder had het er zó moeilijk mee en mijn vader maakte zich zorgen om haar. Hij deelde zijn zorgen met een klant, de heer Schuiling uit Sint Annaparochie, die een sloep bij hem liet bouwen. ‘Ie mouten er ’s uut, Blaak’, zei Schuiling op sien Grunnings. ‘Woar mot’n we heen?’ vroeg mijn vader zich af. ‘Deer surg ik wel voor’, moet Schuiling gezegd hebben. Een aantal maanden later deed Schuiling een voorstel: een vakantie bij de familie Piet en Nel Boelens. Dat is op Ameland, vertelde hij erbij. Zo hebben wij de familie Boelens leren kennen. We werden op 29 juni 1946, op mijn eerste verjaardag, opgehaald door een taxi van Bierma uit Holwerd. Een grote zwarte slee met Bierma zelf als chauffeur kwam voorrijden. We reden niet onmiddellijk door naar de boot, maar Bierma bracht ons eerst bij Hotel ‘De Klok’ in Holwerd, voor een kopje koffie voor mijn ouders en limonade voor de kinderen. Na een uurtje kwam Bierma ons weer ophalen en bracht ons bij de veerboot Waddenzee van Kapitein Henny Keijer. Piet en Nel Boelens zijn in mei 1946 getrouwd en hadden nog geen kinderen, later in 1947 werd hun oudste zoon Tiemen geboren. We bleven een maand, dat wil zeggen, mijn moeder en de kinderen. Mijn vader ging regelmatig terug naar het bedrijf.’

Bij kapitein Keijer in het stuurhuis

‘Toen ik een jaar of vier was zijn we eens afgereisd in Bierma’s taxi terwijl ik ziek was, ik had geelzucht. Mijn moeder was bezorgd, kon dat wel? Reizen met een ziek kind? Maar we kregen toestemming van de huisarts. Toen ze met mij bij de boot stond met allemaal wachtenden nog voor ons, vroeg ze zenuwachtig aan een van de politieagenten of ze niet voorbij de rij wachtenden aan boord kon met mij. De agent nam geen halve maatregelen; hij schreeuwde naar de verderop staande collega: ‘Deze vrouw is ziek, ze moet naar de boot’. We kwamen samen in de stuurhut terecht van kapitein Keijer, mijn moeder op een stoel, ik op een halfhoge kast waardoor ik naar buiten kon kijken. Ik ben het nooit vergeten, halverwege de reis zei Keijer: ‘Jan, moste ’s even achterom kieken: daor hangt een bootie, die het dien pa maokt’. En inderdaad daar zag ik een reddingsbootje, een sloep gemaakt door mijn vader.’

Jammer genoeg weg bij de molen

‘Een paar jaar later kwamen ook vrienden van mijn ouders op het eiland. Met hen deden we uitstapjes. Zo herinner ik me ons uitstapje naar de vuurtoren in Hollum. Jacob Wagenaar kwam voorrijden in zijn busje met de gordijntjes. Snorreman noemden wij hem vanwege zijn prachtige snor. Samen met de familie Woldhuis waren we met meerdere kinderen van dezelfde leeftijd. Op deze uitstap ontdekten we dat Ameland veel en veel groter was dan ons speelterrein rond het huis van de familie Boelens in Nes en het strand, de zee en het bos. We vertrokken in de ochtend en rond een uur of vier/half vijf bracht Wagenaar ons via Ballum weer terug. Toen we uitstapten zei mijn vader: ‘Wagenaar en ik hebben een probleem’. Het bleek dat mijn vader zijn stok had laten staan in de vuurtoren. ‘Is het nait aanders’, vroeg Wagenaar, ‘alles komt goed’. En inderdaad, een paar uur later stond de stok van Blaak weer geparkeerd bij de Molenweg 148 in Nes. Mijn vader en Wagenaar zijn er een borreltje op gaan drinken bij Hotel de Jong. In 1954 was het gezin Boelens gegroeid tot vader en moeder en tien kinderen. ‘Ons gezin wordt te groot, u moet eens kijken of u iets anders kunt vinden’, vertelde Nel. Het was jammer, we waren er bijna tien jaar geweest, in het voorste gedeelte van de boerderij, bij de molen.’

Naar de Scheltema’s aan de Reeweg

‘In 1955 was de laatste vakantie bij Piet en Nel Boelens. Mijn vader heeft in het voorjaar van 1956 gebeld met Heere Scheltema. Hij deelde hem mee dat hij het linker gedeelte van de dubbele woning aan de Reeweg van zijn schoonzus Neeltje Scheltema-de Grauw kon huren. Hij moet het hebben besproken met Heere Scheltema, de eigenaar van Hotel Scheltema. Mijn vader kwam er vaak als wij op het strand waren om te spelen, wij als kinderen keken ’s avonds vaak door het raam naar het dansen en de muziek. Gedurende de zomer woonden de Scheltema’s in het hotel, maar ze hadden een dubbel huis in Nes aan de Reeweg. Daar lag de oplossing: eerst woonden we ’s zomers in het linker gedeelte, de woning van Scheltema’s schoonzus Neeltje de Grauw en na een jaar of twee mochten we wonen in Scheltema’s eigen huis, het rechter gedeelte. Zelf was de familie immers toch in het hotel. Het waren gouden jaren voor mij. Ik was al wat ouder en trok er alleen op uit. De weg in het bos, alle paadjes kende ik, als mijn ouders eens meegingen vroegen ze me: waar moeten we heen, Jan. In die tijd gingen we met mijn twee oudere broers en mijn zus, samen met andere kinderen, al met al zo’n tien personen lopend naar het Oerd. We begonnen op het strand en staken bij paal 21 over. Dan gingen we eerst de donkere bunker in, die toen nog toegankelijk was. We bekeken alles en klommen door de pijp heen naar boven. De terugweg kozen we langs het wad. Aan het eind van de middag kwamen we weer thuis aan, waar mijn moeder een grote pan eten voor ons op tafel zette. Ik denk dat ik in die jaren waarin we aan de Reeweg in Nes woonden, Ameland als mijn eiland ging beschouwen. We hadden zo’n plezier, de vakanties waren de mooiste herinneringen uit mijn jeugd.’

Het pension van Epke van der Geest en een speciale ontmoeting in 1970

‘In 1966/1967 kwam Heere Scheltema helaas te overlijden. Toch woonden we nog tot 1970 in het huis aan de Reeweg, maar er kwam een einde aan. Mevrouw Scheltema zette eerst met haar dochter Margot en zoon Jan het hotel voort. Ze had een eerste kelner, Dick Metz, die ze woonruimte gedurende het hele jaar wilde aanbieden. Mijn vader sprak erover met Epke van der Geest, wethouder en strandwachter. Voor die tijd was hij jarenlang samen met Anne Olivier beurtschipper geweest op het wad met het schip de Friesland. Zelfs had hij een veerdienst gerund: Ballumerbocht – Zwarte Haan. Die bood ons aan om in 1971 in zijn pension te wonen. Gelukkig maar, we zouden in dat jaar immers vieren dat we 25 jaar naar Ameland gingen.

Van der Geest was enorm geïnteresseerd in de Amelander geschiedenis. Hij reisde vaak naar Tresoar in Leeuwarden om te zoeken in archieven. Die interesse sloeg over op mij, ik beschouw het als een groeiproces, groeiende interesse in de Amelander geschiedenis en de omgang met Epke van der Geest was een bouwsteen in het proces. Maar er was een andere ontmoeting is 1970, die mijn leven voor altijd zou veranderen. Ik ontmoette Henriëtte in de maand april, net na Pasen. In de zomer verbleef ze bij ons nog in het huis van de Scheltema’s. Op 8 augustus 1970 zijn we op de Kaapsduun van Nes verloofd, er stond daar eertijds een bankje en daar was het dat we onze ringen uit het doosje hebben gehaald en aan elkaars vinger hebben geschoven. Met de boot van half vijf zijn we weer terug gegaan naar de vaste wal. ’s Avonds was er een feestje voor ons georganiseerd bij Henriëttes ouders. Maar het jaar 1970 had nog meer goeds voor ons in petto. In september raadde een neef mij aan om me te laten inschrijven bij de woningstichting. Het zou zo kunnen zijn dat je jaren ingeschreven moest staan om in aanmerking te komen voor een huurwoning. Maar al half oktober hoorden we dat er een vrijwel nieuwe flat voor ons beschikbaar was… ‘Zeg het maar’, zei ik tegen Henriëtte. Zo kwam het dat we elkaar leerden kennen, ons verloofden en trouwden in 1970: op 9 december gaven we elkaar ons ja-woord. Op die dag is mijn vrouw met mij getrouwd maar ook met Ameland… Eigenlijk hadden we op 2 december willen trouwen en dan bij Hotel de Jong logeren. Dan hadden we een geweldige kans om het Sunneklaasfeest mee te maken. Mijn vader, toen nog wethouder van Hoogezand – Sappemeer had echter een belangrijke vergadering dus werd onze trouwdag verschoven naar 9 december. Het bekijken van het Sunneklaasfeest hebben we een jaar later nog ingehaald.’

Naar Duinoord

‘In 1971 ben ik naar Tjeerd Kooiker gegaan. Op mijn vraag of er een tent voor ons beschikbaar zou kunnen zijn, antwoordde Tjeerd: het komt wel goed. We kwamen in tent Kampvreugd, gedurende drie jaar vierden we daar vakantie. Zo zou het ook gaan in 1972, onze dochter Saskia was nog geen jaar. Op de bewuste vrijdag 11 augustus zouden mijn schoonouders een dagje komen. Bij aankomst in Holwerd zagen zij boven het eiland een diepzwarte lucht. Het bleek dat boven Duinoord een fatale windhoos had gewaaid, het was een rampgebied, wat ze bij aankomst aantroffen. Toch kampeerden we tot 1975. Inmiddels was in 1973 onze Andries geboren. In 1974 heb ik Tjeerd Kooiker gevraagd of er ruimte was op Duinoord voor een caravan. In februari 1975 kregen we bericht van Tjeerd: ‘Kom maar met je caravan’. We hebben er jaren gestaan, zelfs toen ik ziek werd. Mijn schoonvader hielp me nadat ik ME (een nog steeds onbegrepen ziekte, die chronische vermoeidheid veroorzaakt) had gekregen in 1989. Tot mijn schoonvader overleed in 1995. Vanaf die tijd komen we jaarlijks bij Dirk en Ida van der Geest. Dirk zei me: ‘Boven staat een kamer leeg, je kunt komen wanneer je wilt. Om zes uur is het eten klaar – als je er niet bent, heb je pech gehad.’

Duizenden postkaarten

‘Het was in de tijd van mijn eerste baantje. Op de veerschepen, die toen voeren: de Johan Willem Friso, de Willem IV, de Anna en de Maria Louise was het verboden de koffers mee naar binnen te nemen. Die werden buiten tegen de wand van de salons gezet. Een van die jonge mannen, die zich daarmee bezig hield was ik. Ik kreeg te maken met een heel recalcitrante mevrouw, die er op stond om haar grote tas mee naar binnen te nemen. Ik ging in discussie: ‘Mevrouw, dat is verboden’. Toen schoot Kapitein Keyer me twaalf jaar na de eerste keer weer te hulp: ‘Mevrouw, wilt u even naar deze man luisteren?’ en ze gaf toe. De koffer kwam tegen de salonwand. In die tijd verzamelde ik ansichtkaarten. Ik weet nog dat ik rond mijn twintigste dacht: ik heb nu 150 kaarten, dat zal het wel wezen, maar ik vergiste me. Ik zou tot 6.000 ansichtkaarten verzamelen, onder andere op beurzen, allemaal van Ameland. Ik kocht ook ieder boek over Ameland, wat ik kon bemachtigen, ik heb er zo’n 400, waaronder een aantal heel oude exemplaren. Maar in de tijd dat we ieder jaar woonden aan de Reeweg, in hartje Nes, sprak ik ook veel mensen: Walraven Hofker bijvoorbeeld, Gabe en Heere Scheltema, Jan de Jong van Hotel de Jong maar ook Epke van der Geest en Joop Steinvoorte bleef ik zien, Cor Gransbergen, Dokter Straatsma en Ben Edes. Nog eens die verbinding met het eiland was een groeiproces, je komt er alle jaren weer, je geniet er alle jaren weer. De mensen vertelden me de verhalen over vroeger tijden, maar ook het dagelijks leven. De combinatie van het lezen van de boeken en het aanhoren van de gesproken verhalen maakte me nieuwsgierig, Epke van der Geest kon dan opeens met feiten uit archieven aankomen, zodat alles op zijn plaats viel. Daarnaast ging ik met mijn vader naar Ouwe Pôlle-avonden. Eerst nam hij mij mee, later was het andersom. Een andere hobby was fotograferen: ik kocht mijn eerste fototoestel, een Zenith in Den Haag in 1963 aan het begin van mijn marinetijd. Later schafte ik ook alles aan wat nodig was voor ontwikkelen en afdrukken, ik had een complete donkere kamer. Ik was er 600-700 gulden voor kwijt. Ik was van plan daar een brommer van te kopen: een Puch, maar koos toch voor de fotografie. Nog altijd heb ik op al mijn fietstochten een fototoestel om mijn nek hangen als ik fiets over de dijk naar Delfzijl, richting Eemshaven.’

Uitgave van een tiental boeken

‘In 1982 kwam mijn eerste boek uit: ‘Ameland, historisch geschetst’. Het zijn de herinneringen van de Amelander Jacob Visser. Zijn zoon woonde lange tijd in Appingedam en vertelde me van het dagboek dat zijn vader had bijgehouden. Samen hebben we dat bewerkt. De foto’s in het boek vertellen het leven van Jacob Visser en zijn vrouw Aaltje van Til, de gemoedelijkheid van het eiland, de bijzondere gezegdes en woorden, de sprookjes en het bijgeloof, maar ook over het dagelijks leven van de varensman, die Jacob Visser was en later zijn leven als loods.
Het tweede boek wat uitkwam was ‘Nostalgisch gezicht Ameland’ in 1984. Beide boeken werden uitgegeven door uitgeverij Noorderboek, die ook de drie volgende boeken uitgaf: ‘Ameland, zo is Nes’ in 1986, ‘Ameland, zo is Ballum’ in 1987 en in datzelfde jaar kwam ook ‘Ameland, zo is Hollum’ uit. Hier kwam mijn jarenlang beoefende hobby van de fotografie van pas. Jetta Klaassen-van den Brink sprak historische, profetische woorden bij het uitkomen van deze boeken: ‘over twintig jaar is alles veranderd!’ En ze kreeg gelijk.

Ook in 1987 kwam ‘Ameland, badleven en kamperen op Duinoord’ uit, gevolgd door ‘Het Reddingwezen op Ameland’, met een eerste druk in 1987, een tweede druk in 1992 en een derde druk in 2005. Al met al werden hiervan 5.000 boekjes verkocht en dat maakt me best trots! In dit boek worden alle reddingen beschreven waarbij de reddingboten van Hollum en Nes in actie kwamen van 1824 tot 1987.

In het jaar 1990 kwam ‘100 jaar erf- en vrijvrouwe van Ameland’ uit. In dit boek wordt de historische band beschreven van het Oranjehuis met Ameland, 1990 was het jaar waarin herdacht werd dat 100 jaar eerder, in 1890, het prinsesje Wilhelmina van toen tien jaar oud haar vader Koning Willem III opvolgde als koningin van Nederland en dus ook vrijvrouwe van Ameland werd.

‘De geschiedenis van de Koningin Wilhelminaschool op Ameland’ was een volgende uitgave en in 1992 bracht Stichting de Paardenreddingboot het wat beknoptere boekje ‘Ameland, van Jutter tot Redder’ uit. Het is een uitgave speciaal voor scholen, maar ook dit boekje werd weer goed verkocht. Voor de tweede druk heb ik het boekje nog wat aangepast en enige verbeteringen aangebracht. Samen met Sipke de Wind schreef ik ‘Ameland Sperrgebiet’, wat de oorlog 1940-1945 beschrijft op Ameland.

Het daaropvolgende boek ‘Genealogie van de familie Scheltema’ heeft alles te maken met het feit dat we jarenlang gebruik mochten maken van hun familiehuis. Een van de mooiste herinneringen is voor mij de reünie van 125 Scheltema’s in het hotel van mevrouw Biesheuvel-Wagenaar, die plaats vond in 1990. Na enig sneupwerk had ik hun voorvader gevonden, die als eerste vanuit Harlingen naar Ameland was gekomen: de chirurgijn Jan Scheltema.

Met veel genoegen denk ik ook terug aan de neven- en nichtendag van de Familie van Heeckeren, waarbij we het Freulehuus bezochten, het huis waar de burgemeesters van Heeckeren woonden. In de 19e eeuw waren ze voor een korte periode kasteelheer en grietman op het Slot in Ballum en daarna in drie generaties burgemeester van Ameland.
Tot slot werd in 2010 ‘Ameland, veranderd gezicht’ uitgegeven in 2010. Er kwam een tweede druk in 2011 en een derde druk in 2014.’

Nawoord Joke Mosterman: in deze coronatijd was het niet mogelijk om Jan Blaak te gaan opzoeken in Appingedam. Daarom deden we dit interview in een vijftal telefonische gesprekken rond koffietijd. Ik denk niet dat er veel eilandgasten zijn, die zó dit eiland trouw zijn gebleven en er zoveel voor hebben gedaan. Jan Blaak heeft in de ruim tien boeken, die hij schreef over Ameland de geschiedenis van het eiland kunnen vastleggen. Niet alleen zomaar de geschiedenis maar ook vertaalde hij de gevoelens van de inwoners voor hun eiland. En dan te bedenken dat dit allemaal niet was gebeurd als hij als zeventienjarige toch zijn hart had verloren aan Terschelling….

Ambla-32
Blaak-1946
-Jan0aa001
25-jaar-Ameland-12
Ambla-6
25---a
122
zomer-19477
12
DSC04122


De kleine Afie de Boer (ze was vier) is een van de twee burgerslachtoffers die vielen op Ameland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een vliegtuigbom op haar ouderlijk huis werd haar fataal. Het zorgde voor een levenslang trauma dat haar familie nog altijd niet te boven is.

In de zomer van 1940 was de Tweede Wereldoorlog op Ameland pas net begonnen. Een paar maanden eerder waren Duitse soldaten naar het eiland gekomen om Ameland te bezetten. Dat was vooral omdat Ameland langs de Atlantikwall lag, een belangrijke verdedigingslinie voor de Duitsers. Langs de kust verschenen bunkers, prikkeldraad en afweergeschut. Op het eiland zelf werd niet gevochten en het dagelijks leven kon er grotendeels doorgaan. Al was de spanning natuurlijk voelbaar, vooral ook omdat vele Amelander mannen op zee zaten. De Duitse soldaten stonden eerst en vooral met de rug naar het eiland, turend over de Noordzee.

In de nacht van 20 op 21 september liggen Rinske de Boer-Roep en haar dochters Afie (4) en Anke (6) te slapen in hun woning aan de Burenlaan 35 in Hollum. Vader Jan de Boer is in Amsterdam, voor zaken. Jan en Rinske hadden een winkel en een werkplaats aan huis. Ze verkochten er huishoudelijke artikelen en hadden een rijwielhandel. Jan maakte ook ansichtkaarten en was fotograaf. Later zou de zaak van Jan de Boer uitgroeien tot garage- en installatiebedrijf. Iets na middernacht klinkt plots het geronk van een laag overvliegend vliegtuig over het dorp, gevolgd door een enorme dreun.

Wim de Boer (geen familie) alias Wim Post, dan zeventien jaar, die even verderop in het dorp ligt te slapen, wordt er wakker van. Hij springt uit bed, trekt zijn kleren aan en gaat naar buiten op het rumoer af. Het halve dorp is dan al in touw en heeft zich verzameld rond de verwoeste woning aan de Burenlaan. Boven alles uit klinkt het vreselijke gehuil van moeder Rinske. Ze huilt om haar vierjarige dochter Afie, die dood onder de pioenroos naast het huis ligt. De benen van Rinske de Boer zijn door de klap van de vliegtuigbom in de metalen spiraal van het bed geslagen. Ze is zwaargewond, ook al zal er in het latere Kriegstagebuch van de Kapitän zur See Goette gesproken worden van 1 Frau leicht verletzt. Onder het puin van het huis ligt ook haar oudste dochter Anke. En ook al is zij zwaar gewond: Anke probeert eigenhandig zware brokstukken opzij te duwen om zich een weg naar de vrijheid te graven.

Gespannen sfeer

Een man, Douwe Roep, staat te schreeuwen. Vanwege wat hij aangetroffen heeft, en omdat niemand iets doet. Hij is de broer van Rinske en woont dan aan de Molenweg. Hij had gehoord dat er een bom op het huis van zijn zus was gevallen en is er direct naartoe gekomen. ‘Hou je mond’, wordt hem toegesist, ‘anders komen de Duitsers en krijg je de kogel.’ Maar er gebeurt niets. Er klinkt geen luchtalarm, en ook de kerkklokken zwijgen: die mogen niet luiden vanwege de spertijd. De sfeer in het dorp was toen al weken beladen en gespannen. Veel Amelander mannen waren op zee gelegerd en een aantal van hen was al omgekomen.

Als Wim Post bij het huis aankomt is Anke al onder het puin vandaan. Post ziet het meisje in de armen van de overbuurvrouw, Hieke Visser. De nachtjapon van de buurvrouw is donkerrood van Ankes bloed: er is een flink deel van haar onderrug en been weggeslagen. Het lichaam van de kleine Afie is dan al naar een huis aan de overkant van de straat gebracht, bij Gooi van der Meij. Daar ligt ze onder een laken in de gang. Anke wordt naar Zuster Hofman gebracht, die schuin tegenover hen woont. Zuster Hofman was sinds 1925 de wijkzuster en vroedvrouw in Hollum en had een goede band met Jan en Rinske.

Dokter Poortenaar, ook zeer snel ter plaatse, moest de voeten van Rinske uit de bedspiraal knippen en plukken. Ze moest met grote spoed naar het ziekenhuis om de schade te beperken. Wim Post en een dorpsgenoot leggen Rinske de Boer op een ladder bij gebrek aan een brancard en brengen haar naar haar moeder. Een wandeling van ruim een halve kilometer, extra zwaar door het gewicht dat ze onhandig mee moeten torsen. Emotioneel ook, Post heeft een brok in de keel van de vrouw die maar om haar dochter en haar eigen pijn blijft huilen. Als ze eenmaal bij het huis van haar moeder zijn, weet ook die al van de dood van haar kleindochter. Het lichaam van de kleine Afie wordt later ook naar dit huis gebracht.

Spertijd

Omdat er vervoer naar Leeuwarden was geregeld moet Anke ook maar mee. Ook al schat Poortenaar haar overlevingskansen niet hoog in; ze had al te veel bloed verloren. Dorpsgenoot Klaas Bakker, chauffeur, wordt ingeschakeld voor het vervoer naar het ziekenhuis. Tijdens de rit naar de steiger in Nes moet hij de koplampen afschermen. Anders zou de auto weleens beschoten kunnen worden. Bij aankomst in Nes ligt de boot klaar voor vertrek, en omdat het hoog water is kan er meteen worden gevaren – in die tijd voeren de boten nog op tij. Net als de autorit van Hollum naar Nes is ook de nachtelijke boottocht vol risico’s vanwege de spertijd.

Een paar uur later gaat in Amsterdam de telefoon bij de familie Korver. Het zijn de buren van Aafke IJnsen-Roep en haar man Tjip IJnsen, zus en zwager van Rinske waar vader Jan logeert. Zuster Hofman belt vanaf Ameland, Aafke en Tjip hebben geen telefoon. Vader Jan de Boer hoort het nieuws van zijn gezin en vertrekt meteen richting Leeuwarden, samen met ome Tjip en tante Aafke in de auto van buurman Korver. Daarmee negeren ze de avondklok, en dus wordt hun auto op de Afsluitdijk door de Duitsers beschoten. De kogels missen doel, een wonder.

In het ziekenhuis in Leeuwarden wordt Jan de Boer herenigd met zijn gezin. Rinske is dan nog in de operatiekamer, maar hij hoort Anke om haar moeder roepen. ‘Moe, moe, mammie!’ Daar gaat hij op af. Dokters proberen Jan nog tegen te houden vanwege de kwetsbare staat waarin zijn dochter verkeert. ‘Niks mee te maken, dat is mijn dochter’, reageert Jan, die zich niet laat weerhouden. Dan hoort Anke de stem van haar vader en verzucht: ‘Mijn pappie’. Op dat moment krijgt Anke de benodigde bloedtransfusies zodat ze geopereerd kan worden, waaraan ze een fors litteken op haar linkerarm zou overhouden. Zonder extra bloed is de operatie te risicovol. Maar Jan laat zich niet tegenhouden. Eenmaal terug op Ameland wil hij ook zijn andere dochter graag zien. Het wordt hem afgeraden, maar ook daarin weet men hem niet te stoppen. Dat Anke het heeft overleefd, heeft ze volgens Rinske te danken aan haar gezondheid en strijdlust.

Duits vliegtuig

De dag na het bombardement begint de herbouw van het huis al. Eerst moet alles worden opgeruimd. Het puin wordt bij de boerderij van Douwe en Sientje Roep neergelegd; er is geen heel kopje of pannetje meer te vinden. Uit het puin trekt een van de werkers een scherf van de vliegtuigbom omhoog. Karlsruhe staat erop. Het was dus een Duits vliegtuig, concludeert men. Het zou een aangeschoten Duits vliegtuig zijn geweest, dat lading had laten vallen in de hoop Duitsland nog te kunnen halen. Dat mislukte: het gevaarte stortte in de Noordzee. Het vliegtuig, achterna gezeten door Britse jagers, had zeven bommen op Hollum laten vallen. Dat de Duitsers met de kwestie in hun maag zaten, bleek wel uit het feit dat ze graag Afies begrafenis wilden bijwonen. Het mocht, bepaalden de ouders na rijp beraad met dokter Poortenaar. Ze mochten komen, maar wel achteraan in stilte, en ze mochten geen bloemen meebrengen. Ze wilden saluutschoten brengen, maar dat heeft meester De Bruin weten te verhinderen. De Bruin was het hoofd van de openbare lagere school in Hollum en een goede vriend van Jan en Rinske.

Toch is er tot op de dag van vandaag bij sommigen twijfel over de nationaliteit van het vliegtuig. Het Kriegstagebuch van Kapitän zur See Goette meldt een actie van ‘engl. Fliegers’. Dat document komt naar boven nadat de Leeuwarder Courant een onderzoeker in het Militärarchiv laat spitten. Daarin wordt in de nacht 20 op 21 september 1940 een ‘Bombenabwurf eines engl. (englischen) Fliegers’ vermeld. Een vervolgonderzoek in de British Military Archives in Londen levert geen duidelijke conclusie op. Hoe betrouwbaar is de Duitse informatie? Onder welke omstandigheden schreef men deze informatie destijds op? Wilden de Duitsers de geschiedenis bewust verdraaien?

De burgemeester, Johan Bolomeij, schreef in de dagen erna een brief aan de Commissaris der Koningin in Leeuwarden, de omstreden Pieter Albert Vincent Harinxma - thoe Slooten, dat het een Engels vliegtuig was geweest. Vermoedelijk om de Duitsers te behagen, of zelfs in opdracht van de bezetter. Niet onwaarschijnlijk, melden meerdere (amateur-)historici die de Leeuwarder Courant raadpleegt. Die misinformatie had het gewenste effect; het werd overgenomen door alle media, waardoor nu, tachtig jaar na dato, nóg altijd met enige regelmaat gesteld wordt dat het een Engels vliegtuig was dat de familie De Boer in rouw dompelde. Maar de bomscherf met daarop Karlsruhe, en de schuldbewuste houding van de Duitsers in de periode na het bombardement spreken boekdelen, weet de familie. Ook vlogen de Engelsen pas vanaf 1942 met bommen over de Waddeneilanden, blijkt uit onderzoek.

Hart en ziel

De wederopbouw van het pand duurde een dik half jaar. Moeder Rinske en Anke lagen tot half november en eind november in het ziekenhuis. Daar kreeg Anke nog bezoek van Sinterklaas en Zwarte Piet. Haar beide opa’s, inmiddels gepensioneerde zeelui, zetten alle zeilen bij om de bouw aan te sturen en te zorgen dat alles tot in de puntjes verzorgd verliep. De drie Hollumer aannemers, Lublink, De Vries en Faber, hebben gezamenlijk het werk gedaan en de opa’s werkten met hart en ziel mee waar nodig. In juni 1941 kon het nieuwe pand worden bewoond. Verhuizen was geen optie voor Jan en Rinske de Boer. Hun hele bestaan, hun levensonderhoud, hun gezinsleven, alles gebeurde op die plek aan de Burenlaan. Tijdens de herbouw woonden ze in het huis van Sientje en Harmen, de zus van Jan en haar man, aan de Zuiderlaan. Toen het huis klaar was, kwam er tot 1951 een zestienjarig nichtje uit Amsterdam in huis om de familie te helpen. Dat was Afie Kanger.

Schuldgevoel

Vader Jan de Boer hield aan het drama een levenslang schuldgevoel over. ‘Ik heb ze in de steek gelaten’, zei hij op zijn sterfbed. Maar ook: ‘Ik ga nu weer naar onze andere Afie hoor’. Schuldgevoel of niet: doordat hij aan de ramp ontkwam kon hij zaken regelen en orde op zaken stellen, benadrukte Rinske waar ze kon. Een wrang geluk bij een ongeluk.

In de jaren na de ramp praatten Jan en Rinske er niet zoveel over in het bijzijn van de kinderen en anderen. Als ze het erover hadden, memoreren hun kinderen nu, ‘dan vooral zonder woorden’. Ze waren elkaars steun en toeverlaat, voelden elkaar haarfijn aan. Het paar zou later nog drie kinderen krijgen. Het eerste meisje werd wederom Afie genoemd. Nóg een Afie. ‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik iemand moest vervangen’, zegt zij nu. ‘Andere Afie’ is altijd een deel van het gezin geweest. Het grote leed thuis was nooit een taboe, zegt Afie. ‘Alles was bespreekbaar, maar sommige dingen werden niet besproken. Doodgezwegen is het nooit.’

Toen Piet, die Afie later zou trouwen, voor het eerst bij de familie thuis kwam zag hij een foto van het overleden naamgenootje van zijn vrouw aan de muur. ‘Er was een meisje, en die is in de oorlog omgekomen. Meer hoorde ik eerst niet.’ Al was Jan een betere prater dan zijn vrouw, hij was vaak te emotioneel. Rinske was introvert en bewaarde de rust. Lawaai in de lucht bleef evenwel oude wonden openhalen. Thuis moesten, als het ’s nachts eens onweerde, alle kinderen met matras en al naar beneden komen om bij Jan en Rinske op de slaapkamer te slapen. Dit duurde tot ver na de oorlog.

Nog meer pijn

In het gezin heerste een sfeer van doorpakken en rug recht. Moeder Rinske heeft altijd op maat gemaakte schoenen gedragen die nóg veel pijn deden, en toch bleef ze in de winkel werken. Wel kreeg de familie na 1978 hulp van een speciaal fonds voor oorlogsslachtoffers. Daarvoor moest het trauma eerst wel worden herbeleefd. Dat jaar kreeg Rinske té veel last van haar voeten, waardoor ze niet meer kon slapen. Even was er sprake van dat haar voet eraf zou moeten, uiteindelijk bleef het bij één teen. Het ziekenhuisbezoek, het snijden in haar voeten: het maakte dat Rinske de gebeurtenissen van de septembernacht van 1940 in volle hevigheid herbeleefde. Rinske de Boer zou haar hele leven last houden van haar benen, die door de vliegtuigbom onherstelbaar beschadigd raakten. Ze ging er verkeerd door lopen, en versleet daarmee haar rugwervels. Nog meer pijn, nog meer operaties.

De Stichting 1940-1945 en WUBO (Wet Uitkeringen Burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945), de latere Stichting Burgeroorlogsgetroffenen (SBO), konden daarna wel zorgen voor nieuwe aangepaste schoenen, huishoudelijke hulp en vrijstelling van wegenbelasting.
Wat ook niet meehielp, was dat dokter Poortenaar destijds bizar genoeg heeft opgetekend dat Rinske geen blijvend letsel had opgelopen. Terwijl hij zelf de metalen springveren uit haar vlees had moeten peuteren. Dat is pas in 1980 door Afie rechtgezet, zodat bovengenoemde hulp wel kon doorgaan. Het kostte Afie erg veel tijd en strijd met de betrokken instanties, waardoor wederom het een en ander werd herbeleefd.
Ook dochter Anke kreeg op een zeker moment rugproblemen. ‘Dat zou weleens door de bom kunnen komen’, zei ze dan. Nogal wiedes, dacht de familie.
Toen Jan de Boer op 10 maart 1986 overleed en Rinskes ogen droog bleven zei ze tegen haar kinderen: ‘Myn tranen binne allang op.’

In shock

Sinds 21 september 1940 heeft Anke eigenlijk nooit meer rustig geslapen. Altijd alert en op wacht. Bij nachtelijk onweer liep ze door het huis, met alle lichten aan. Met het klimmen der jaren zijn de paniek- en angstreacties op harde geluiden van bijvoorbeeld onweer en straaljagers alleen maar toegenomen, en de flashbacks heviger geworden. Toen bij de oktoberstorm van 2013 de serre bij het huis van Anke en haar man Barend instortte, en balken door het keukenraam sloegen, trof dochter Esther haar moeder in shock aan de keukentafel. Die schok is ze niet meer te boven gekomen. Het lawaai, de puinhoop en de aanblik van de verwoeste serre moeten oude wonden hebben opengehaald.
Het was buurman Baukema van schuin tegenover die in de nazomer van 1940 zag hoe een klein, zwaargewond meisje zich driftig een weg omhoog groef vanonder het puin. In zekere zin probeert Anke de Boer nu, 80 jaar later, nog altijd onder het puin vandaan te komen. Anke hoopt op 12 mei volgend jaar haar 87e verjaardag te vieren. Ieder jaar op 30 april, de geboortedag van Afie, zet ze witte bloemen op het graf van haar overleden zusje. Een traditie die de familie zal doorgeven aan volgende generaties.

Met dank aan de getroffen familie die toestemming gaf tot publicatie van dit tragische verhaal, de Leeuwarder Courant waarin dit artikel eerder verscheen, Tim Fierant, de schrijver van het verhaal en verslaggever van de Leeuwarder Courant voor Noardeast-Fryslân, Dantumadiel en Ameland, en die samen met Jacob S. Roep de research daarvoor deed.

20190716140249
20190716135930
201808111603
201808111600
201807172215
201807172213
201807172084


De Gemeente Ameland heeft op 20 oktober jl. tijdens een bijeenkomst in Ons Hol in Hollum meer informatie prijsgegeven over de plannen omtrent woningbouw op Ameland. In alle vier de dorpen verschijnen de komende jaren meerdere huur- en koopwoningen. De Gemeente Ameland hoopt zo een antwoord te bieden op de grote vraag van eilanders om iets te doen aan de krappe woningmarkt op Ameland. Vooral starters zullen dit project toejuichen.

De Amelander was aanwezig bij de presentatie, die fysiek door twintig genodigden werd bijgewoond. Online waren er op de piek nog eens 140 geïnteresseerde kijkers aanwezig. Dat de avond veel bekijks trok, mocht geen verrassing heten. Een dermate grootschalig project rondom woningbouw vanuit de gemeente is al meer dan veertig jaar geleden. Het is ook hard nodig, want er is op Ameland een groot tekort aan betaalbare woningen voor starters. In dit artikel volgt een beknopte weergave van de ruim twee uur durende presentatie.

Locaties

Als gezegd krijgen dus alle vier de dorpen er woningen bij de komende jaren. Aan de Foppedunenweg in Buren zijn reeds twee bouwkavels verkocht door de Gemeente en in Hollum zijn aannemersbedrijven op de Badweg en Tussendijken drukdoende om de eerste golf huurwoningen te realiseren. In totaal gaat de Gemeente de komende periode op tien locaties op het eiland huur- en koopwoningen opleveren. Op vier van die plekken stelt de gemeente ook bouwkavels beschikbaar voor verkoop. 

De uitgifte van de eerste bouwkavels en koopwoningen moet nog voor het einde van 2020 plaatsvinden. De bestemmingsplannen voor Ballum, Buren en Nes zijn gereed. Wanneer geïnteresseerden zich daarvoor willen inschrijven, moeten zij de Gemeente Ameland Info in de gaten houden. Daarop maakt de gemeente bekend wanneer en hoe mensen zich kunnen aanmelden. Het bestemmingsplan rondom kavels, huur- en koopwoningen aan de Trapweg in Hollum is nog niet gereed. Uitgifte van deze locatie volgt naar verwachting medio 2021.

Prijzen

De Gemeente Ameland heeft in 2018 en 2019 op de verschillende plekken grond aangekocht. Na een aantal procedures is besloten om het uitgegeven bedrag voor de grond bij elkaar op te tellen en dit te verdelen over alle locaties. Hierdoor zijn de prijzen voor de koopwoningen en de bouwkavels in alle dorpen hetzelfde. Aanvankelijk maakte de gemeente onderscheid tussen de bouwkavels, maar dat is de laatste weken grotendeels achterhaald door hertekening van het bestemmingsplan in Ballum. 

In de oorspronkelijke tekeningen voor de Smitteweg in Ballum waren vier bouwkavels ingetekend waarvan de prijs bepaald was op € 260,15 per m². Dit betrof grotere percelen. Mogelijk verandert dit, omdat bij nader inzien bleek dat de gemeente aan de zuidkant van de Smitteweg ook zes-onder-een-kap-koopwoningen kan plaatsen. Dat in plaats van drie grote bouwkavels. Het college heeft hierdoor onlangs besloten om deze grond eerst niet uit te geven. Dat gebeurt in de derde fase tezamen met de Trapweg in Hollum en Binnendieken in Nes. Zo hoopt men begin 2021 beter te kunnen inspelen op de vraag na de tweede fase.

De gemeente draagt er zorg voor dat alle kavels – die de gemeente kosten koper (inclusief 21% BTW en géén overdrachtsbelasting) verkoopt – bouwklaar zijn bij de oplevering. De koopwoningen die de Gemeente Ameland aanbiedt, vallen onder de reguliere kavels. Men betaalt hier de prijs voor de kavel én gaat een aannemersovereenkomst aan met een vooraf door de gemeente geselecteerde aannemer. Deze aannemer bouwt dus het huis. De gemeente moet deze partij nog bekendmaken. In oktober sprak men met zeven partijen.

Spelregels

In principe komt iedere Amelander in aanmerking om zich in te schrijven voor koopwoningen of bouwkavels. Er zijn echter wel een aantal spelregels aan verbonden, waardoor bepaalde groepen voorrang krijgen. De gemeente wil de woningbouw betaalbaar houden – dit benadrukte ze bij de openbaring van de prijzen voor de kavels – en dat heeft een reden. De voorwaarden om de grootste kans te hebben op het bemachtigen van een woning of bouwgrond, zijn zo geschept dat dit in het voordeel spreekt van starters.

Uit onderzoek op het eiland blijkt dat de vraag vanuit die groep het grootst is. Door de stijgende huizenprijzen was het voor hen op z’n zachtst gezegd lastig om de laatste jaren een woning op Ameland te bemachtigen. De gemeente wil hen tegemoetkomen en benadrukt dat het aanbod met gerealiseerde woningen voor eigen inwoners is. Mensen zonder eigen woning hebben hierbij voorrang. Daaronder verstaat de gemeente mensen die nog thuis wonen of die op dit moment een gemeentelijke of particuliere huurwoning bewonen.

De belangrijkste voorwaarden om in aanmerking te komen voor een koopwoning of bouwkavel, is dat je economische of langdurig maatschappelijke binding met Ameland hebt. Op 17 november jl. besliste de gemeenteraad dat ze daar geen onderscheid in maakt. Amelanders die op het eiland wonen en aan de vaste wal werken, hebben even grote kans als eilanders die hier wonen én werken. Daarnaast mag een gezelschap de laatste tien jaar ook geen ander huis of kavel van de gemeente gekocht hebben. Per huishouding mag je één persoon inschrijven als woningzoekende.

Procedure

De gemeente gaat ervanuit dat de belangstelling voor de bouwkavels (circa 27) en koopwoningen (zestien stuks) groter is dan het aanbod. Als gezegd verschijnt de inschrijving op de Gemeente Info. Geïnteresseerden moeten vervolgens voorkeuren voor een kavel doorgeven. Zodra de inschrijving gesloten is, volgt er een openbare loting van de verschillende kavels in het gemeentehuis. Dit gebeurt onder leiding van een notaris, die erop toeziet dat dit eerlijk verloopt. De gemeente houdt bij de loting rekening met de voorkeuren.

Dat laatste is vooral van belang als er sprake is van meerdere belangstelling voor een kavel of koopwoning. De volgorde van loting is al bepaald. De gemeente zal de geïnteresseerden opdelen in twee stapels. De eerste stapel die de gemeente zal loten, is de stapel die bestaat uit starters en huurders; de Amelanders die op dit moment nog geen eigen huis hebben. Mochten er dan nog bouwkavels en/of koopwoningen niet verdeeld zijn, dan begint men met het loten van de tweede stapel: geïnteresseerden die al een eigen huis hebben.

Bij de loting is het zo dat de koopwoning of kavel met de grootste voorkeur als eerste onder de hamer gaat. Daarna volgt de tweede, enzovoort. Wanneer de eerste stapel is weggewerkt of er uit die stapel geen voorkeur is voor een bepaalde locatie, zal men de tweede stapel aanwenden. Als alle kavels zijn verdeeld en er blijven woningzoekenden over, dan volgt er een nieuwe loting voor de reservelijst. Wanneer een ingelote woningzoekende toch moet afzien van de kavel of woning, komt de eerste op de reservelijst daarvoor in aanmerking.

Afzien van een kavel of woning kan wanneer er bijvoorbeeld een financiering niet rondkomt. Mocht de situatie zo zijn dat het aanbod toch groter blijkt dan de vraag of dat er om wat voor reden dan ook percelen overblijven, dan werkt de gemeente met het principe ‘wie het eerst komt, die het eerst maalt’. Wel blijft het dan zo dat mensen hier een maatschappelijke binding moeten hebben. De koopgrensprijs is leidend. Die stijgt in 2021 zelfs van €450.000 naar ruim €500.000, waardoor mensen van het vasteland buitenspel staan voor dit plan.

Verkoopvoorwaarden

Wanneer een woningzoekende een woning of kavel toegewezen krijgt, hebben ze een week om de algemene verkoopvoorwaarden te accepteren. Na dit hele artikel spreekt het misschien voor zich, maar de gemeente realiseert deze mogelijkheden met de verplichting om er zelf permanent te wonen. Recreatief verhuren mag op Ameland, zolang dit maar een ondergeschikt deel van de woning is. Permanent bewonen voor personeelshuisvesting mag ook, mits het college dat toestaat. In beide gevallen moet men een vergunning aanvragen.

Als woningzoekenden na loting een bouwkavel accepteren, moet de bouwaanvraag binnen een half jaar binnen zijn. Voor een koopwoning geldt dat deze binnen een half jaar na toewijzing in gebruik is. Ook houdt de gemeente stevig vast aan het anti-speculatiebeding. Kort gezegd houdt dit geding in dat je de eerste tien jaar na de koop je woning niet mag doorverkopen, wat erop neerkomt dat je in ieder geval tien jaar in het huis moet wonen. Doe je dit niet, dan volgt een boete uiteenlopend van 25 tot 50 procent op de aankoopprijs.

Voor geïnteresseerden in de kant-en-klare koopwoningen, geldt dus dat zij hun huis laten bouwen door de aannemer die gekozen is door de gemeente. Uiteraard gaan zaken zoals een keuken of de oprit naar de weg in overleg. Het kan wel zo zijn dat de koopwoningen in Hollum en Ballum er straks overigens anders komen uit te zien dan die in Buren en Nes. De gemeente wil eerst de nieuwe bewoners vragen naar hun ervaringen. Als er aanpassingen nodig zijn, komen er in beide dorpen wellicht andere typen koopwoningen dan nu voorzien.

Perspectief

Met het aanbieden van verschillende vormen van woningen en de grond in vorm en prijs te variëren, hoopt de gemeente voor ieders wat wils te creëren. Zo gaat de gemeente ook een aantal twee-onder-een-kapwoningen en meer-onder-een-kap-woningen bouwen. Dat is prijstechnisch voordeliger dan een losstaand huis. Volgens de gemeente is die instapprijs er op de huidige vrije woningmarkt bijna niet te vinden. De prijs voor deze woningen en kavels bevindt zich in het middensegment en zijn dus zeer geschikt voor starters op Ameland.

Mocht je ook na dit grootschalige project buiten de boot vallen, dan is er nog geen man over boord. De gemeente belooft dat er ook hierna perspectief blijft, over vijf tot vijftien jaar. Er is aan de Polderweg in Nes een groot stuk grond aangekocht en met het toewijzen voor een nieuwe locatie van verzorgingstehuis De Stelp, komt in Hollum op termijn ook de grond vrij waar de huidige Stelp zich nu bevindt. Op die plek is de gemeente voornemens om kleinere (zorg)appartementen en/of studio’s te realiseren, maar ook koopwoningen en bouwkavels.

Daarnaast gaat de gemeente een aantal huidige huurwoningen te koop aanbieden. Dit onder de noemer van zogenaamde ‘kluswoningen’. Dit zijn huizen waar op korte termijn een groot onderhoud aan moet plaatsvinden. De gemeente kiest ervoor om deze ‘opknappers’ te verkopen voor een lage prijs, een prijs waarvoor op Ameland geen huis te koop is. De afgelopen weken stonden zodoende de Reddingbootweg 12 in Hollum (€ 175.000 k.k.) en de Klaas Goumaweg 12 in Nes (€ 170.000 k.k.) al op de Gemeente Info te koop aangeboden.

Bouwen aan de toekomst

De Gemeente Ameland zet de laatste jaren duidelijk in op duurzaamheid en wil op dat vlak geïnteresseerden ook graag adviseren over de mogelijkheden bij de koopwoningen en bouwkavels. Denk hierbij bijvoorbeeld aan warmtepompen, zonnecollectoren en zonnepanelen. Wat betreft de bouwmogelijkheden is er veel vrijheid, rekening houdend met een aantal voorschriften. Daarnaast zijn er op het eiland nog een aantal slapende locaties met woonbestemming in bezit van particulieren. Dit kan de doorstroom ook bevorderen.

Al met al kun je stellen dat de gemeente haar best doet om het woningaanbod te vergroten. Dat is gelukt. Hoewel starters en huurders zonder eigen woning met het huidige plan in het voordeel zijn ten opzichte van huisbezitters, is die laatste groep niet per definitie kansloos. Wanneer zij ook mee mogen loten, betekent het meer dan waarschijnlijk dat hun huidige huis in de verkoop moet. Zo creëert de Gemeente Ameland met haar woonruimte dus mogelijk ook voor roulatie op de huidige huizenmarkt. Het voornaamste: de bal rolt.

Miedenweg


Bedenk iets fraais en kom ermee aanwaaien

In de hedendaagse polemiek is tijd een schaars goed. Onthaasten is de trend. Goed eten en drinken de nieuwe norm. En het liefst ook nog op maat en zo persoonlijk mogelijk. Sommelier Egbert Reining en kok Danny Wijnberg bundelden daarom de krachten en introduceerden wine & dine. Aan huis, welteverstaan: Proeven op Ameland. Geboren uit passie voor het vak. Aan de vaste wal een gekend concept, maar uniek op het eiland.

Egbert (47) heeft in de loop der jaren zijn sporen verdiend. Jarenlang was hij sommelier bij het vooraanstaande Restaurant Nobel in Ballum. Egberts wijnkennis is een begrip op Ameland en intussen ook daarbuiten. Sinds 2019 is hij voor zichzelf begonnen en heeft hij een eigen wijnwinkel in het centrum van Hollum, Wijnen van Egbert. Eilanders en ook toeristen weten hem te vinden. Hij houdt in zijn winkel regelmatig proeverijen die vaak binnen een mum van tijd volgeboekt zijn. Daarnaast levert hij ook topkwaliteit wijnen aan de horeca op Ameland. Het bleek een schot in de roos, want de aanloop en aanvraag in de winkel loopt heel goed.

Danny (32) is op zijn beurt al jarenlang kok. Hij leerde de fijne kneepjes van het vak onder meer bij Restaurant De Klimop in Nes en bij Hotel-Restaurant Nobel. Hun relatie loopt verder terug, want Egbert was bij S.C. Amelandia een aantal jaren trainer, toen Danny in zijn tienerjaren nog voetbalde. Daarna werkte de kok jarenlang bij Cantina Dolores in Hollum. Een aantal jaar geleden is hij een eigen bedrijf gestart met de naam Wad’n Keuken. Hij specialiseerde zich in het maken van kroketten en bitterballen en ook dat heeft snel naam en faam gemaakt op Ameland.

Ontstaan Proeven op Ameland

Egbert en Danny speelden al langere tijd met het idee om samen iets te doen. Gewoon, voor de leuk. ‘Het is vooral liefhebberij’, stelt Danny. Egbert vult hem aan. ‘Het is ooit ontstaan – en volgens mij was jij daar zelf ook nog bij, Youri – uit een geintje. Ik had wijn meegenomen uit de Elzas. We hadden elkaar getroffen bij de Amstel Gold Race. Ik ging daarna nog op doorreis. Toen maakte Danny de opmerking dat ik een paar goede wijntjes moest meenemen voor een proeverij en riep ik dat hij er dan maar bij moest koken. Toen kwam dat dus op een bewuste avond bij elkaar en eigenlijk is dat idee sinds die tijd blijven hangen.’

Er volgde daarna nogal eens een wijnproeverij als Egbert ergens was geweest en steeds verzorgde Danny er dan een hapje bij. Op een gegeven moment zei de sommelier tegen de kok: ‘Hier moeten we wat mee doen.’ Maar Egbert werkte toen nog bij Nobel en Danny had de Mexicaan (lees: Cantina Dolores) nog. ‘Het bleef een beetje bij een leuk idee’, zegt Danny. ‘Totdat je met de wijnwinkel begon, begin 2019. Bij een van de eerste proeverijen maakte iemand de opmerking dat we zo ook best weleens voor hen konden koken. Toen is het balletje gaan rollen en zijn we om tafel gaan zitten. Kort daarna volgde de eerste avond.’

Liefhebberij

Het concept van Egbert en Danny sloeg meteen aan. Ze lieten niets aan het toeval over. ‘We hebben heel goed couvert, Egbert heeft heel mooi, goed glaswerk en ik heb goed servies, allemaal verschillende borden voor zes of zeven gangen’, vertelt Danny. Ondanks dat beide mannen het als hobby erbij doen, willen ze wel kwaliteit leveren. ‘We hoeven elkaar na anderhalf jaar ook niets meer te vertellen’, stelt Egbert. ‘We parkeren de auto, we pakken onze spullen en we beginnen. Tien minuten later staat de amuse op tafel en kan het feest beginnen. Eén blik is genoeg. Dat is het grote voordeel als je met z’n tweeën werkt.’

Om een goed beeld te schetsen, legt Danny uit hoe hij Proeven op Ameland naast zijn krokettenmakerij doet. ‘Voor Egbert zit het voorbereidende werk vooral in het oppoetsen van de glazen. Maar neem nu het weekend van 25 en 26 september, toen ik op vrijdag- en zaterdagavond een diner had. Twee keer vijf gangen met een amuse erbij. Dat kost mij vrijdag heel de dag, om alle gangen zo voor te bereiden dat het ’s avonds een peulenschil is. Het zwaartepunt ligt overdag. ’s Avonds hoef ik bijna niets meer te doen. Van de vijf uur dat we op locatie zijn, heb ik anderhalf uur wat te doen. Waarvan slechts drie minuten druk.’

Amelander producten

Proeven op Ameland is dus uniek op Ameland. ‘We wilden niet iets neerzetten wat hier al is’, verduidelijkt Egbert. ‘Wat we op tafel neerzetten, zijn topproducten. Amelander producten, ook. Eigenlijk werken we uitsluitend met producten die afkomstig zijn van het eiland. Mensen vinden dat fantastisch! En wij ook. Er zijn zulke hoogwaardige producten hier op Ameland, dat is super om mee te werken. Dat begeleiden we met heel goede wijnen. Daar bezuinigen we niet op. Er moet topwijn bij. Dat merk je en dat proef je. Mensen proeven dat ook. De drank-spijscombinatie. De wijn maakt het eten sterker en andersom.’

Wine & dine dus, zoals dat tegenwoordig zo lekker bekt in de volksmond. Beide mannen kunnen alles op maat maken. De gast kan het zo gek niet bedenken. ‘Ik denk dat we het concept de laatste tijd wel te pakken hebben’, stipt Egbert aan. ‘Maar we kunnen doen wat we willen. Hoe veel gangen had die groep van die twaalf dames (voordat corona uitbrak, red.) wel niet?’, vraagt hij aan Danny. ‘Tien’, antwoordt de kok. ‘Ons maakt het dus niet uit’, gaat Egbert weer verder. ‘We zijn toen met champagne en oesters begonnen, zelf garnalen pellen zat er nog bij. Dat is gewoon superleuk. Mensen waarderen dat ook.’

Menu op maat

Bedenk iets fraais en kom ermee aanwaaien; Egbert en Danny vullen die wensen naar hartenlust in. ‘Maar intussen weten we wel wat het goed doet en wat niet’, vertelt de kok. ‘Ter inspiratie sturen we nu een vijfgangenmenu mee en bijna iedereen kiest daarvoor. Voorheen deden we altijd minimaal vier gangen, maar vandaag de dag gaat het niet meer onder de vijf gangen. En vaak dan nog met uitbreidingen, zoals bijvoorbeeld de oesters en de champagne of cava. De schelpdieren maak ik à la minute open. Ik doe dat dan voor en daarna mogen de mensen het zelf proberen. Dat zorgt ook voor een erg leuke interactie.’

Dat standaardmenu wat ze aanbieden, bestaat uit vijf gangen. Men start met een amuse, vaak gevolgd door een carpaccio van de Hereford-koeien van Ab Kiewied. Daarna krijgen ze een pappardelle (een pastasoort, red.) voorgeschoteld met zeevruchten, zoals coquilles, gamba’s, kokkels en een hollandaisesaus. Het hoofdgerecht in het najaar is gemaakt van het Amelander lam, met pastinaakpuree en een aantal groenten. Als vierde gerecht volgt een Amelander kaasplank van de Kaasboerderij, om af te sluiten met een chocolademousse of muntroom gemaakt van de melk van de Zuivelboerderij Ameland. Dat flankeert de kok met bonbons van De Swiete Loads. En uiteraard de bijpassende wijnen niet te vergeten.

‘Het is wel de bedoeling dat alle mensen het lekker vinden’, stelt Egbert. ‘Daarmee bedoel ik dat we ook een passend gerecht serveren als er bijvoorbeeld iemand in de groep zit die geen vlees eet.’ Dat benadrukt ook Danny: ‘Het is echt maatwerk. We passen het aan naar de wens van de gast. Maar er komen natuurlijk ook wel gerechten terug die we vaker serveren. Carpaccio is natuurlijk een klassieker, die doet het altijd goed. Maar soms werkt ook iets weleens niet. Mosterdsoep is bijvoorbeeld lastig te combineren met wijn. Het kan wel, maar een sterk gerecht met vlees of vis doet het beter en heeft dan de voorkeur.’

Fijnproevers

Egbert heeft door zijn jarenlange ervaring vaak aan een half woord genoeg om een bijpassende wijn met het goede jaartal aan een gerecht van Danny te koppelen. En anders heeft hij aan een halve lepel genoeg. ‘Laatst hadden we dat nog, met die risotto’, herinnert de kok zich. ‘Ik maak dat dan voor, ’s middags. Dan neem ik een bordje mee vanuit de keuken bij mij naar de winkel van Egbert. Dan haalt hij er een paar glazen wijn bij en dan gaan we samen zitten – of soms met een proefpersoon erbij. Dan is het een kwestie van kiezen welke wijn er het beste bij past, of dat je nog iets meer cachet aan de risotto geeft.’

De sommelier vult zijn compagnon aan. ‘De gerechten moeten oplopen in smaak. Voor de wijn geldt exact hetzelfde. De wijn- en smaakkeuze gaan omhoog. Uiteindelijk moet je een ultieme climax hebben. Dat is heel belangrijk. Alleen dat is wel mijn eigen vak, dat heb ik 23 jaar lang gedaan. Ik weet niet beter; ik ben daar altijd mee bezig. Het kan gerust zo zijn dat ik Danny eens terugfluit, als ik met de wijn in de knel kom.’ De kok beaamt dat: ‘Egbert heeft daar meer kennis van dan ik heb. Hij is daar beter in getraind. Ik kan wel zeggen of de wijn-spijs-combinatie lekker is of niet, maar Egbert kent de klassieke combinaties uit zijn hoofd.’

‘Neem nu die risotto als voorbeeld’, legt Egbert uit. ‘Als ik dat proef, weet ik precies welke wijn daarbij past en – niet onbelangrijk – ook welk jaar. Dat heb ik gelijk in mijn hoofd. Daarbij moet ik wel in ogenschouw nemen dat die wijn niet uit de band loopt met de wijn die bij het gerecht ervoor én erna zit. Natuurlijk twijfel ik ook weleens. Daarom proeven we zelf ook altijd even. Ik doe niets op de gok. Door mijn ervaring en omdat ik zo onderhand precies wel weet hoe Danny kookt, kan hij me uitleggen hoe het gerecht is opgebouwd. Dan hoef ik alleen nog maar naar het schap te lopen om de goede wijn eruit te pakken.’

Persoonlijk contact

Egbert en Danny genieten zelf ook logischerwijs van deze uit de hand gelopen hobby. ‘Het leuke is dat je alle tijd voor de gasten hebt’, legt Egbert – onder het genot van zijn eigen heerlijke, witte Parel van Ameland en (later tijdens het interview) een voortreffelijke rode wijn uit Australië – uit. ‘Je hebt maar één tafel. Danny vertelt alles over het eiland, waar welke producten vandaan komen, waar de Hereford-koeien lopen, dat soort zaken. Mensen vinden dat fantastisch. Met de wijnen doe ik dat net zo uitgebreid. Ik vertel precies van welke wijngaard het komt en waaraan die bepaalde wijn zijn karakteristieke smaak dankt.’

‘Dat is wel een pluspunt’, vindt Danny. ‘Natuurlijk hangt er een prijskaartje aan. Maar daarvoor krijg je wel eten en drinken van topkwaliteit én heb je alle tijd voor de gasten. Met ons concept is het ook meer eigen dan wanneer ze met de hele familie gaan uiteten in een restaurant. Vaak is het bij mensen thuis of op hun vakantieadres. Wij zijn dan te gast op een avond plezier, waarbij mensen bijvoorbeeld ook over privézaken praten. Mensen hebben ook geen last van ons, we dansen gewoon om hen heen. Laatst zaten mensen nog lekker te uitbuiken en waren ze verbaasd dat we in no time de keuken al schoon hadden.’

Met Proeven op Ameland proberen ze ook altijd vooraf een goed beeld te schetsen van het gezelschap. Vooral Egbert vindt het dan leuk om van de gebaande wegen af te wijken. ‘Sommige mensen willen weleens wat anders’, legt hij uit. ‘Dan kies je een keer voor een verrassing in plaats van een klassieker. Je hoopt dan alleen wel dat iedereen het altijd lust, omdat sommige wijnen – zeker in combinatie met spijs – hele specifieke smaken hebben. Daar moet je van houden. Zo’n wijn kun je niet altijd en overal bij iedereen neerzetten. Mijn mensenkennis zegt me vaak welke gasten ik moet uitdagen. Dat vinden ze dan supermooi.’

Goed team

Beide mannen vormen een prima tandem. ‘Op een dag met diner spreken we elkaar zo’n vijf keer’, denkt Danny hardop. ‘Meer is er niet nodig. Soms is het iets vaker, als we een keer iets anders proberen. Je moet soms durven en vaak waarderen gasten dat wel. Ook omdat we steeds beter kunnen aanvoelen wat zij willen, staan we bij binnenkomst al vaak met 1-0 voor. Dat bedoel ik niet arrogant. Wij hebben de touwtjes in handen. Dat wil niet zeggen dat de mensen niet kritisch mogen zijn. Graag zelfs. Alleen we hebben wel tegen elkaar gezegd: ‘het is leuk zoals het nu gaat. Maar het moet niet structureel drie keer per week zijn’.’

‘Egbert is altijd op niveau een sommelier geweest. Ik heb ook jaren ervaring, maar op een ander niveau. Ik ben wel een liefhebber, heb veel gezien en geprobeerd’, lacht Danny. ‘Maar je groeit wel naar elkaar toe, je stuwt elkaar echt omhoog’, vult Egbert aan. ‘Het is voor ons beiden ook voor de leuk. Het moet niet. Voor Danny en mij is dit echt hobby, we vinden het leuk om te doen. Zodoende blijven we ook een beetje in ons oude vak.’ Ook Danny glundert als we het over het initiatief hebben. ‘Ik vind het oprecht fantastisch werk. Als je kwaad wilt, zou je er misschien van kunnen leven. Maar dat is niet onze doelstelling. Twee avonden in de week is prima, maar niet meer.’

Mond-op-mond reclame

Dat het hobbyen Egbert en Danny zo voor de wind gaat, blijkt uit het feit dat ze nauwelijks adverteren. Terwijl ze toch gemiddeld zes wine & dines per maand doen, op dit moment. ‘Volgend jaar komt er nog eens een website’, gniffelt Egbert – websites bouwen is ook een van zijn hobby’s. ‘De domeinnaam ligt al wel vast, maar dat ter zijde. Vaak komen mensen bij mij in de winkel. Velen kennen mij al veel jaar als sommelier. Daar vertel ik hen – net zoals op mijn eigen website – over de wijn- en champagneproeverijen die ik organiseer, maar dus ook over Proeven op Ameland. Het wekt vaak hun aandacht en dan leg ik het uit.’

Van het een komt dan vaak het ander. ‘Ook bij de proeverijen hier, verzorgt Danny lekkere hapjes. Vaak zijn dat logischerwijs zijn kroketjes of bitterballen’, gaat Egbert verder. ‘Ook dan haal ik het vaak aan. In feite doen we dus alleen aan mond-op-mond reclame. En dat werkt voor ons beter dan wat voor advertentie dan ook. Het zijn liefhebbers. Die hebben we al geselecteerd, puur en alleen omdat ze hier over de drempel van mijn wijnwinkel stappen. En als ze dan genoeg meenemen – als in: dan zijn ze niet onbekend met de verschillende wijnsmaken – ga ik met ze babbelen en gooi ik vaak Proeven op Ameland op tafel.’

Dat werkt, want intussen zijn de sommelier en de kok ook al meermaals bij dezelfde, verschillende gasten langs geweest. ‘Het is onvoorstelbaar hoe blij je mensen kunt maken met een beetje eten’, glundert Danny. ‘Je krijgt vaak ook applaus. Daar doe je het niet voor, maar dat maakt je wel blij.’ Ook Egbert beleeft dat. ‘Juist omdat we niet willen dat het business as usual is. Dat is het gevaar. Daarom is iedere avond anders, met andere gerechten en andere wijnen. Dat maakt het net zo leuk, dat we ons eigen product zo specifiek op onze gasten kunnen aanpassen. Dat is ons sterke punt. Een restaurant kan dat nooit, maar wij wel. Niet slecht hè, voor een paar hobbyisten’, sluit Egbert met een knipoog af.

Nog geen plannen voor de kerstvakantie? Proeven op Ameland heeft nog een aantal avonden leeg in de agenda.

e6860309-7f77-4382-8a34-484fc6256738
e1b1d8d1-77e9-422f-a22d-00ea5bf9041a
d43e8ea5-17f4-4753-be55-6fc2e8ac1c8b
33067c9b-36cb-4978-9e38-4fb856967ab2
23e4928a-2554-4678-bb4a-34361dc697e2---kopie
94bf275c-c25d-47ac-9d7d-8bcf5c50ab3d


Handelen naar de geest van de wet is eerder mijn handelswijze dan handelen naar de letter van de wet

Als hem door het personeel van Wagenborg Passagiersdiensten op de veerboot gevraagd wordt om te bemiddelen staat Gjalt Wijbenga onmiddellijk op. Aan boord is een mondkapje verplicht en bij het aanspreken van een van de passagiers door de bemanning, wordt het dragen van een mondkapje door de passagier geweigerd. Gjalt Wijbenga, in burgerkleding, maakt zich bekend en toont zijn identificatiebewijs. Meer is niet nodig om de passagier te overtuigen zich te houden aan de voorschriften aan boord. Waarom lukt het Gjalt Wijbenga onmiddellijk om iemand wel een mondkapje te laten dragen? Zijn het zijn grijze haren, die verraden hoelang hij al politieman is, of is het zijn overredingskracht? Is het zijn glimlach dan, onder de vriendelijke, maar besliste ogen? Op de middag van dit interview zijn fotografe Nicole Nagtegaal en ik iets na elkaar op het politiebureau. Zij voor het maken van portretfoto’s, ik voor het maken van een geschreven portret. Deze middag kijkt hij terug op zijn lange loopbaan. Hij legt uit wat hem is overkomen en hoe hij tot het besluit kwam om afscheid te nemen van zijn politiewerk op Ameland.

Een interview in plaats van een afscheidsfeest.
Corona maakt het Gjalt Wijbenga niet gemakkelijk, zoals het virus het zovele mensen niet gemakkelijk maakt. Om gezondheidsredenen moet hij op 63-jarige leeftijd stoppen met zijn functie. Normaal gesproken zou er een afscheidsreceptie zijn geweest, zou er aandacht zijn besteed aan zijn vertrek. Na gaat het bijna ongemerkt gebeuren. Zijn vader, werkzaam bij de marechaussee, overleed aan een hartinfarct als 47-jarige. Dat Gjalt zelf genetisch belast is met hart- en vaatziekten weet hij al sinds 2005, toen hij een hartinfarct kreeg. Het feit dat hij rookte en een workaholic was met een heel stevige baan als coördinator van het Crimeteam in Leeuwarden had niet echt geholpen om dit hartinfarct te voorkomen. Na 2005 ging het jarenlang goed tot hij vorig jaar op 22 september die klachten als druk op de borst, pijn in de arm en in de kaak weer kreeg. Gjalt Wijbenga: ‘Het paste me helemaal niet. We zouden gaan eten in het Koaikershuus. Mijn vrouw maakte een reis naar Marokko en was juist die dag vertrokken. Moest ik alles en iedereen ongerust maken? Ik besloot Martine, onze gastvrouw in het Koaikershuus te vragen om twee aspirientjes en zette de avond voort. De dinsdag erop deed ik mee aan een integrale beroepsvaardigheidstraining. ’s Avonds ging het weer mis. Toen heb ik wel 112 gebeld en wat ik veel erger vond om te doen: ik belde mijn dochter. Ze blijft toch altijd je kleine meisje en nu moest ik haar vertellen dat het niet goed ging met mij. Maar ik dacht, ik heb zondag al zoveel geluk gehad, dat krijg ik geen tweede keer, ik moet mezelf wel een eerlijke kans op genezing geven. Ik ben gedotterd en heb drie stents gekregen. Ik stopte met roken. Maar ik was een gewaarschuwd man. Dit tweede hartinfarct heeft me doen relativeren en toen de mogelijkheid zich voordeed om eerder dan bij mijn pensioengerechtigde leeftijd te stoppen met werken, heb ik besloten die kans aan te grijpen’.

Als u alles overziet en terug kijkt, zou u dan weer kiezen voor de politie?
‘Ik weet niet of ik weer opnieuw bij de politie zou willen gaan. Toen ik daarvoor koos, veertig jaar geleden was ik heel erg geïnspireerd door mijn vader. Hij had altijd een uniform gedragen, was bij de marechaussee. Bovendien was het optreden van de politie toen heel mensgericht, nu is het meer protocolgericht. Misschien zou ik nu wel maatschappelijk werk gaan doen. Ik heb de mens achter de begane misstap altijd belangrijker gevonden dan de misstap of misdaad. Ik weet nog dat ik een vijftienjarige betrapte op fietsen zonder achterlicht. Tja, ik kon hem bekeuren of ik kon even met hem mee naar binnen lopen in zijn ouderlijk huis en zijn ouders wijzen op dat kapotte achterlicht. Ze hadden het niet breed. Ik wist dat een bekeuring zou betekenen dat het langer zou duren voor de fiets bij de fietsenmaker werd gemaakt.’

Als ik zo naar u luister dan bespeur ik een groot gevoel voor rechtvaardigheid, een wil om naar het waarom te zoeken.
‘Soms ben ik jaloers op klokkenluiders, mensen die de vinger op de zere plek leggen. In ieder beroep is soms sprake van een ongeschreven competitie, zeker bij het crime-team heb ik dat ervaren en dan ben je wel eens teleurgesteld. Maar het mag niet zo zijn dat wrok of frustratie de boventoon gaat voeren. Als ik dacht daarin fout te zitten, kaartte ik dat aan de volgende dag en zei: ‘Het ging gisteren niet helemaal goed, hoe lijkt het: beginnen we opnieuw?’ Collega’s worden toegewezen, vrienden kies je uit. Ik kon met de meesten van hen goed opschieten. Nu ik afscheid neem, vraag ik me af: Ben ik in mijn beroep rechtvaardig geweest, ben ik zoals ik mezelf als doel had gesteld, altijd voor de zwakkere opgekomen?’

U bedoelt dat er niet altijd een pasklare oplossing bestaat voor een situatie die zich voordoet?
‘Soms lijkt het er niet op: ik herinner me een oude dame, die werd binnen gesleept. Ze had een winkeldiefstal begaan. Ik heb mijn computer uitgezet en gezegd tegen mijn collega’s: we houden op. Toen ik vertelde dat ik haar dochter ging bellen was ze hevig geschrokken en probeerde dat te voorkomen. Ik zocht ook contact met haar advocaat. Wat bleek: de oudere dame had heel kort daarvoor haar man verloren en was zichzelf even helemaal kwijt. Moest ik haar een strafblad bezorgen? Een andere winkeldiefstal werd gepleegd door een jongetje van acht. Hij had frisdrank en koekjes gestolen. Hij komt bij mij en ik vertel hem dat dit niet goed was, hij had straf verdiend. ‘Je krijgt nu van mij straf.’ Ik heb hem in de hoek gezet met zijn handen op zijn rug. Toen zijn moeder kwam om hem te halen, bleek hij een sleutelkind te zijn. Ik heb het jongetje nooit terug gezien, gelukkig. Mijn motto is: Als je ’s avonds voor je naar bed gaat in de spiegel kijkt, moet je jezelf in de ogen kunnen kijken. Dat betekende voor mij wel eens een berisping van een meerdere: brigadier Wijbenga, we zijn heel tevreden, maar je schrijft wel erg weinig bekeuringen uit.’

Op dit moment van het interview nemen we een pauze. Fotografe Nicole wil een rondje maken langs de fotogenieke plekken: zijn bureau en de voorkant van het bureau naast het kleine beeldje. Vervolgens gaan we zelfs nog even naar de cel. Gjalt Wijbenga: ‘Deze cellen worden niet meer gebruikt omdat ze niet de goede lengte hebben. Ze zouden twee centimeter hoger moeten zijn’. Of hij het daarmee eens is valt uit zijn gezichtsuitdrukking niet af te lezen…. Daarna vervolgen we het interview.

Het moet een klap geweest zijn om uw vader zo vroeg te verliezen.
‘Ik kom uit een heel warm gezin, mijn moeder was een schat en mijn zus is dat ook. Hoewel mijn vader jong overleed, heb ik hem goed leren kennen en kennis gemaakt met zijn principes. (Lachend): Toen ik eens iets had uitgevreten wat volstrekt niet door de beugel kon, heb ik de traptreden niet gevoeld onderweg naar mijn kamer boven. Hij was rechtlijnig en breeddenkend tegelijk. Hij hield van de songs van Robert Long, zijn teksten raakten hem als mens. Ik heb veel gereisd, samen met mijn vrouw. Maar wat ik heel graag zou willen is een reis maken over Java. Mijn vader was in Indië bij de Prinses Irenebrigade en ik zou graag zijn routing over Java willen weten, waar is hij geweest, wat heeft hij gezien? Er is veel over geschreven, bijvoorbeeld het boek ‘Op klompen door de dessa’ van Hylke Speerstra, maar dat maakt niet dat ik zijn belevenissen daar ken.’

Zoals uw vader hield van de songs van Robert Long, zo houdt u van Ierse muziek?
‘Ah, dat gaat bij mij veel verder. Ik zing in een Ierse band, we gaan met de band op studiereis naar Ierland, we zingen op plaatsen waar de gebeurtenissen die we bezingen echt hebben plaatsgevonden. Ieren zijn lang onderdrukt geweest. Ik vind het een prachtvolk. Sterker nog: Ierland voelt als een tweede vaderland. Een stad als Belfast, een groep als de IRA, als je daar bent dan voel je het ontstaan ervan. Weet je dat Nederlanders hun aandeel hebben gehad in die strijd: zij brachten het Protestantse geloof naar Katholieke Ierland. Zo ontstond de bron van alle ellende. Maar de Ierse muziek bezorgt mij vooral veel plezier, ik ga ’s avonds graag naar een Ierse pup, waar altijd wel een muzikant optreedt, nog eens: het is mijn tweede vaderland.’

En Ameland dan?
Peinzend: ‘Misschien is dat wel mijn tweede moederland. Ik zal uitleggen waarom. Ik ben in Enschede geboren en heb altijd een mama gehad, maar nu heb ik ook een moeder. Een moeder op Ameland. Tien jaar geleden kwam deze plek vrij op Ameland. Ik was hersteld na mijn hartinfarct in 2005 en kon reïntegreren. Ik werd leidinggevende in St. Annaparochie met 40 mensen onder mij. Iedere maandag werd mij gevraagd wat de bedoeling was, wat hun taak was voor aankomende week. De meesten werkten er langer dan ik. Ik kon daar niet goed tegen, dus ik solliciteerde naar de plek op Ameland. Al op een van de eerste dagen kwam de toen 85-jarige mevrouw Twickler bij me langs op het bureau en bood haar appartement aan, wat zich in haar huis bevindt. Ik besloot haar aanbod te accepteren. In de loop van de tijd ontstond er een bijzondere verhouding tussen deze dame en haar kinderen en mij, we zijn naar elkaar toe gegroeid. Mevrouw Twickler heeft zeven dochters gekregen in haar leven, maar nu vertelt ze me dat ze toch nog haar langverwachte zoon heeft gekregen en haar dochters een halfbroer. Moeder Twickler werd ze voor mij. Ik begrijp wel dat er een oorspronkelijke motivatie was: als ik er ben, met mijn functie als politieman, ontstaat er voor haar veiligheid in huis. Maar er overkwam ons iets: voor mij ontstond er een warm plekje op Ameland en voor haar: ik pas op haar, zorg voor haar medicatie en zal zeker als ik niet meer op het bureau kom mijn taak als mantelzorger regelmatig op me nemen’.

Het lijkt me niet altijd gemakkelijk om op een eiland, waar je bijna iedereen kent, iemand te moeten beboeten.
Dat was eerlijk gezegd lastiger toen ik, in januari 1983 als jong agent begon in Ferwerd, waar ik woonde, en de dorpen er om heen. Het maakt ook verschil of je 20, 30, 40 of 60 bent. Als je als beginnend agent de moeder van je maat moet berispen, of nog erger: je maat op zijn gedrag moet aanspreken, dan heb je te maken met een bijzonder krachtenspel. Met het stijgen van je leeftijd wordt dat gemakkelijker. Ik ben eigenlijk iedere zomer vanwege het waddenpoolen ook op Ameland geweest. Ik meldde me altijd aan, het is altijd mijn eiland geweest, mijn eilander bevolking. Zeker: het is een apart slag volk. Je kunt nog altijd merken dat Ameland vroeger een vrijstaat is geweest. Wat hebben wij met die lui van de wal te maken? Ik ben jager, ik kan me in de gedachtegang van de Amelander goed vinden. Vergeet niet: contact met de politie is vaak gebaseerd op een negatieve basis: al is het maar de aangifte van een vermiste portemonnee, leuk is anders. Als je aangifte moet doen van een inbraak is dat ook een heel negatieve ervaring, een inbreuk op je privacy. Als politieman moet je daar je weg in vinden. Maar de Amelander is in wezen politieminded. Als we moeten ingrijpen in een rel bij een discotheek gaan we daar met twee man heen. We staan als politie bij voorbaat tegenover een overmacht. Zeker kunnen we assistentie inroepen, maar waar komt die vandaan? Van de vaste wal, wanneer kan die er zijn? Dan weten we als agenten dat we op de Amelanders kunnen rekenen, de portier van de disco, maar ook de omstanders. Ik heb hier op Ameland maar één keer hoeven vechten, in mijn hele carrière maar drie keer. Ik hou daar niet van, laat zelfs bijna altijd mijn wapenstok thuis. Ik hoefde hen niet te vragen. Maar tijdens die ene keer voelde ik dat ik kon rekenen op de Amelanders om ons heen. Meestal heb je meer succes met een vermanend woord, of een arm om een schouder. Wat je uitzendt, krijg je terug. Bovendien: iemand die een strafbaar feit pleegt, doet dat niet ten opzichte van mij. Moet ik hem dan boos bejegenen? Ik kies voor neutraal. Bovendien vind ik dat we het moeten opnemen voor de zwakkere in de samenleving. Ik ga op zoek naar het waarom.’

De arm om de schouder, dat werkelijk begaan zijn met iemand, ontstond dat in de loop van uw leven?
‘De arm om de schouder is in onbruik geraakt door de corona op dit moment. Maar toen in deze zomer het Duitse meisje zo ongelukkig verdronk en ik tegenover de ouders en haar zusje stond, bestond er voor mij geen corona. Mijn vrouw is Duitse, dus ik had niet te maken met een gebrek aan het vinden van woorden. Het zijn zulke ingrijpende situaties. Als mens word je door heel veel dingen gevormd: een deel is genetisch bepaald, je omgeving, je opvoeding, de groep waarin je functioneert, een vermanend gesprek, het heeft allemaal invloed. Maar soms moet je ook gewoon afsluiten, zeggen: kom we gaan naar huis. En ik heb een heel fijn thuis, een lieve vrouw en drie kinderen. Barbara was wethouder is de Gemeente Ferwerderadiel, nu, in de nieuwe Gemeente Noard-East Fryslân is ze raadslid. De kinderen zijn alle drie het huis uit en allemaal goed terecht gekomen. Met allen hebben we een frequent, maar vooral goed contact. Ook zijn er nu vijf kleinkinderen, die de komende jaren zeer zeker een gedeelte van mijn tijd mogen opeisen. Deze thuissituatie heeft mij ook gevormd. Dit is de vorm, die je zelf hebt gecreëerd en die je koestert.’

Mag je als politieman er thuis over praten?
‘Je móet je verhaal vertellen. Je hebt na bijvoorbeeld een dodelijk ongeval zoveel te verwerken, beelden die niet van je netvlies af willen. Tegenwoordig is het bij de politie goed geregeld, Je hebt je training gehad, er zijn een aantal vrijwilligers onder de collega’s, die je opbellen na een onprettige of moeilijke ervaring, je kunt naar een psycholoog of psychiater. Maar (glimlachend) wat de professionele ondersteuners niet hebben, is die speciale band met mij, die ik vind bij mijn echtgenote, degene aan wie ik durf te zeggen: het gaat niet zo goed met mij. Het thuisfront is zo belangrijk.’

En nu het afscheid van Ameland…
‘Helemaal afscheid van Ameland nemen, ga ik nooit doen. Mijn grootouders uit Zwaagwesteinde (ik ben een afstammeling van Salomon Levy) kwamen hier al. Via hun vakantie in Hollum kenden we de familie van Piet en Grietje de Boer-Nagtegaal en leerden we Ameland kennen. Als kleine jongen ging ik al met hen het wad op om te môdden: vis voelen èn vangen in de prielen, die overbleven bij eb. Die werden aan een naald en draad geregen en zo kwam je thuis met de gevangen botjes van het wad. Wat smaakten ze! Bij hun zonen kwam ik later ook over de vloer. Wat ik zeker erg missen zal, zijn de gesprekken aan boord van de veerboot. Wat heb ik een speciale mensen ontmoet. En dan is mijn moeder Gerda Twickler-Metz er nog, zij is zeker de reden om regelmatig terug te komen naar Ameland.’

Als we na het interview afscheid nemen, loopt Gjalt Wijbenga met me mee naar de deur. We praten over Ierse muziek. ‘Ieren zeggen bij een afscheid: God bless you’, vertelt hij. En nu bestaat eigenlijk geen betere zin om dit interview mee te eindigen: God bless you, Gjalt Uilke Wijbenga.

NagtegaalFotonl---De-Amelander---Jan-8


Mijn vader zei dan: ‘Wel leeg ow weg-hale hé suntke’.

Ingrijpen in de natuur is soms nodig, maar vaak ook niet. ‘Ingrijpen’ wordt vaak gedaan door (natuur) organisaties op basis van wat de organisatie goed of mooi vindt, maar niet altijd dat wat het beste is voor het landschap, of de dieren die in het betreffende gebied leven.

Om in te grijpen in de natuur gaat heel vaak gepaard met subsidie. Als ergens subsidie voor gegeven wordt dan is ingrijpen sneller aan de orde - en vaker ook ‘noodzake-lijk’ zo wordt er beweerd - dan wanneer er geen subsidie voor gegeven wordt. Zonder dit to-verwoord zouden een heleboel projecten niet eens de tekentafel halen, sterker nog: Er zou niet eens over nagedacht worden, laat staan dat iemand op het idee zou komen om in te grijpen.

Onlangs las ik op teletekst dat natuurorganisaties mogelijk hon-derden miljoenen aan subsidies, ontvangen tussen 1993 en 2012 terug moeten betalen. Onder meer twaalf Provinciale land-schappen kregen subsidie, net als Natuurmonumenten. Particuliere grondbezitters, zoals Stichtingen en Landgoedeigenaren kregen die gelden niet. Ze gingen uitein-delijk in hoger beroep bij het Europese Hof en het Hof zag de subsidies als ongeoorloofde staats-steun. De particulieren willen nu dat de overheid de subsidies te-rugvordert. Dat laatste gaat na-tuurlijk niet gebeuren, maar op dit moment subsidies voor derge-lijke (landschap) projecten aan-vragen kan ook een risico inhou-den.

Zoals ik in het begin van mijn verhaal reeds aangaf is elk ingrij-pen in de natuur geen verbete-ring en bij ingrijpen is de uit-komst vaak onzeker, maar wordt, mede dankzij subsidie, toch door-gezet. Er zijn op Ameland talloze voorbeelden, maar twee daarvan wil ik er wel uitlichten, namelijk De Meer ten oosten van Hollum en het in 2012 uitgevoerde kli-maatbufferproject bij De Feu-gelpôlle.

De Meer was zoals ingewijden ongetwijfeld zullen weten, een drassig gebied en daardoor een zeer rijk vogelgebied met allerlei soorten en vooral grote aantallen weidevogels. Sinds het beheer is gewijzigd zijn de weidevogels zo goed als verdwenen. Nadat deze ‘misstap’ door de Vereniging tot Behoud van cultuur historisch medegebruik Ameland (VBA) aanhangig is gemaakt bij de be-heerder, heeft men toegezegd het beheer ingrijpend te zullen aanpassen, waarvoor hulde. Dit zou in het vroege voorjaar al gebeuren, maar toen was het te nat om met machines het land op te gaan. Ben benieuwd hoe het herstel van dit gebied gaat uit-pakken en wanneer dit gaat ge-beuren.

Voor wat betreft de Feugelpôlle is er altijd strijd geweest hoe ver oostelijk excursies en andere bezoekers van dat gebied moesten omlopen vanaf de stenen trap richting het oosten. Uiteindelijk is er iemand van Economische Zaken gekomen en die heeft be-paald dat aan de oostzijde op een bepaald punt een mobiele trap moest komen tijdens het broed-seizoen. Deze is er ook gekomen, maar staat wel verder oostwaarts dan de afspraak was. Er is nog verschillende malen geprobeerd om deze trap nog verder oost-waarts te krijgen, maar dat is er gelukkig niet van gekomen. Mocht de schelpenbank nog ver-der oostwaarts aangroeien dan komt er op de plaats van de mo-biele trap een corridor richting het Wad.

In mei 2017 is deze trap uiteinde-lijk geplaatst en moet iedereen over de buitendijkse weg lopen om tijdens het broedseizoen toch op het Wad te kunnen komen bij de Feugelpôlle. Vóór die tijd werd er vanaf de stenen trap oost aan gelopen vlakbij de sloot langs. Toen werd met name de excur-siegidsen verweten dat ze daar een heel pad hadden gevormd met platgetrapt zeekraal. Dat klopt, maar die route was niet uitgezet door de gidsen, maar door een natuurorganisatie, in opdracht van LNV, want die gaan officieel over de verbodsborden en Rijkswaterstaat is de officiële beheerder van dit gebied. Inmid-dels groeit er echter weer alle-maal zeekraal op het voormalige ‘looppad’.

Tijdens de dijkverhoging heeft dezelfde organisatie aan de aan-nemer van de dijkverhoging op-dracht gegeven om een soort slufter te graven recht voor de stenen trap en dwars door het zeekraal heen. Dit om zogenaamd de afvloeiing van het daar aanwe-zige water vlotter te laten verlo-pen. Echter alleen bij harde (NW) wind en of springtij staat er water op het zeekraal aldaar. Verder nooit. Bovendien is deze slufter recht door het zeekraal heen gegraven en zoals gezegd recht voor de stenen trap. Om de af-vloeiing van het water te bespoe-digen is zeker niet gelukt, want er blijft zelfs water in deze slufter staan, terwijl daar voorheen nooit water stond. Boze tongen bewe-ren echter dat de slufter gegra-ven is om de toegang tot de Feu-gelpôlle en het achterliggende gebied zo veel mogelijk te be-moeilijken, ook buiten het broed-seizoen om. Welnu dat is in ieder geval wel gelukt, want het is voor de stenen trap in het verleden nog nooit zo’n ‘slikbende’ geweest als nu, ondanks de ‘betere afwate-ring’. Overigens groeit er in deze gegraven slufter nooit geen zee-kraal meer, tenzij die weer wordt dichtgegooid. Je kunt namelijk spreken van een mislukt project waar overigens - volgens mij althans - geen subsidie voor ver-kregen is. Maar het kan nog her-steld worden als je e.e.a. weer dicht gooit. Je mag toch niet zon-der vergunning in het ‘werel-derfgoed’ een slufter graven? Baggeren in het werelderfgoed om de veerboot sneller te laten varen mag namelijk ook niet overal, of Ameland(ers) daar nu last van heeft (hebben) of niet.

Tijdens de vergadering tussen VBA en SBB op 3 juli 2019 is er door de VBA gevraagd of de corri-dor op de Feugelpôlle niet achter de stenen trap kan komen. Het antwoord was nee, want dan loop je door de meeuwenkolonie heen. Dezelfde avond was er een verga-dering over het Hagedoornveld en daar werd de vraag gesteld - aan dezelfde persoon - waarom het (nieuwe) fietspad juist door de meeuwenkolonie moest lopen. ‘Oh, die hebben daar geen last van, die gaan wel opzij’. Tsja, het antwoord is afhankelijk van: ‘Hoe het vogeltje gebekt is’. Of wat beter bij mij past: ‘Een ieder vist op zijn getij’.

Het voorgaande valt echter alle-maal in het niet bij het zgn. ‘Kli-maatbufferproject’. In 2012 werd dit project gestart en tot 2022 wordt e.e.a. gemonitord. De be-doeling van dit project was om de Feugelpôlle aan de westkant te-gen erosie te beschermen, aange-zien de kwelder de laatste decen-nia steeds kleiner is geworden. Partners in dit traject waren RWS, SBB, de Gemeente, Wetterskip, Ministerie I&M, de Waddenver-eniging, Vogelwacht Hol-lum/Ballum en Programma Rijke Waddenzee. Ook hier was het toverwoord ‘subsidie’.

Het was de bedoeling om met kleischelpen en rijshouten dam-men de kweldervorming te stu-ren, dan wel te stimuleren. Er werd conform de plannen een kilometer aan rijshouten dammen om de kwelder heen aangelegd en een ander deel van deze dammen ligt daar zuidwestelijk van iets verder het Wad op. Ook bewesten het Skûtegat liggen (lagen) nog wat rijshouten dammen. Verder zijn er kleischelpen tegen de kwelderrand aangebracht en ‘last but not least’, er werd een onder-grond (substraat) geplaatst waar mosseltjes zich op kunnen vesti-gen. Om met dit laatste te begin-nen: Mosselen hebben om zich te vestigen en te overleven niet alleen een goede ondergrond nodig, maar ook plankton als voedsel. De plek waar het sub-straat ligt - tegen de kwelderrand aan dus - is zo’n beetje de hoogwa-terlijn en alleen met hoog water komt daar zout water en zouden de mosselen (plankton) kunnen eten. Op de bedoelde plek zijn dus geen mosselen gekomen.

Wanneer ik vroeger ’s winters mosselen ging halen, dan deed je dat met zuidoosten wind, want dan is er het meeste water weg, zoals elke Amelander weet. Mijn vader zei dan: ‘Wel leeg ow weg-hale hé suntke’. Ja pa, was dan het antwoord. Wanneer je namelijk mosselen met zuidoosten wind en laag water ook nog eens uit het water haalt dan zijn dat mosselen die 24 uur per dag kunnen eten, omdat er zelfs met heel laag water nog plankton te vinden is. Dit zijn de lekkerste. Ze zijn niet per se groter, maar ze zitten wel vol. In de winter met zuidoosten wind kan het echter behoorlijk koud zijn en dan was je ook nog zonder handschoenen. Je zocht dus ook wel eens mosselen op die wat ‘hoger’ lagen en niet in het water. Wanneer pa de mosselen dan gekookt had en de buit bekeek, dan zag hij dat direct. ‘Nou suntke deuze komme niet allemaal fan leeg ow weg’. Tsja.

De rijshouten dammen zuidweste-lijk van de Feugelpôlle kun je eigenlijk geen rijshouten dam-men meer noemen, want al het rijshout is er allang uitgespoeld. Alleen de paaltjes staan er nog en het plastic draad waar het rijshout mee vastgebonden zat zit er ook nog steeds in. Wie van de instan-ties of welke persoon heeft dat bedacht: ‘Plastic draad’ gebruiken op het Wad, maar wel moord en brand schreeuwen als er piep-schuimen bolletjes van de MS Zoë op het strand liggen en wellicht de duinen in gewaaid zijn. Natuur-lijk is het verliezen van contai-ners niet goed voor het milieu, maar hier kun je nog spreken van een ongeluk, terwijl het hiervoor genoemde plastic draad bewust is gebruikt.

Dan nog de rijshouten dammen bewesten het Skûtegat. Ook hier kun je eigenlijk niet meer spre-ken van ‘rijshouten’ dammen, want ook hier is praktisch al het rijshout weggespoeld, ondanks – ook hier weer – het plastic draad en de in de natuur afbreekbare plastic bakjes. Deze dammen wa-ren bedoeld om er mosselen op te kweken. Eerst is het noordelijke gedeelte geplaatst en daarna het zuidelijke deel. Een poos later zaten er inderdaad mosseltjes op het zuidelijke deel (daar komt namelijk meer water en dus meer plankton) en ik heb gezien dat er mensen (studenten?) waren die ze er af hebben gehaald voor onder-zoek dacht ik dat ze zeiden.

Of de hiervoor genoemde ‘af-breekbare plastic bakjes’ ook in-derdaad afbreekbaar zijn weet ik nog steeds niet, maar feit is wel dat je ze nog steeds tegenkomt op het Wad en we kunnen met ze-kerheid zeggen dat ze in ieder geval de eerste acht jaar NIET afbreekbaar zijn in de natuur, want ze zijn in 2012 geplaatst. Bovendien zitten ze nog steeds tussen de paaltjes in daar waar het rijshout grotendeels is wegge-spoeld ondanks het plastic draad. Dit draad is zeker niet afbreekbaar maar de oester op de foto heeft er zo te zien geen last van en heeft dit mooie stukje plastic ‘omarmd’.

Dat er projecten gedaan worden en uitgevoerd worden, al dan niet met subsidie is natuurlijk geen probleem, maar als iets mislukt, het werkt niet goed, of de doel-stellingen worden niet gehaald: Ruim dan in ieder geval de ont-stane rotzooi op en zeker op het Wad. Daarvoor hoef je niet te wachten tot 2022 als iedereen is ‘uitgemonitord’ over dit project, want mislukt is het toch al en de kwelder is alleen maar verder afgebrokkeld.

Harmen Wijnberg
www.wijnberg wadexcursies.nl

IMG2240
IMG2239
IMG2237
IMG2231
IMG2230
IMG2229
IMG2228
IMG2197
IMG2224
IMG2193


© 2021 De Amelander. Alle Rechten Voorbehouden. Design by Webtool4all