• 0519-555100
  • 06-22485795
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Welkom op deamelander.nl

honderdjarig bestaan van De Vennoot

Maatschappij tot exploitatie van Onroerende goederen op het Oosteinde, Oerd en Neerlandsch Reid BV te Buren op Ameland 1921-2021:
Op 6 juni 1921 werd voor notaris mr. P.D. Poelstra uit Holwerd, op Ameland de akte getekend waarbij de Naamloze Ven-nootschap tot exploitatie van Onroerende goederen op het Oosteinde, Oerd en Neerlandsch Reid te Buren werd opgericht. Dat is op 6 juni a.s. 100 jaar geleden. Het bestuur van toen: Tiemen Boelens, Josephus Douwes Beijaard, Georg Kienstra, Willem Theunis Kiewiet en Gerben Sipkes de Jong zouden eens moeten kunnen zien hoe schitterend de ‘Vennoot’, het gebied tussen paal 17 en de Oerder duinen zich heeft ontwikkeld, hoe de generaties die na hen kwamen 100 jaar lang dit gebied hebben beheerd. In dit interview kijken Willem Kooiker en Gerben Kienstra terug op 100 jaar Vennoot. Gerben Kienstra was voormalig secretaris en kleinzoon van bestuursleden van het eerste uur: Georg Kienstra èn Gerben Sipkes de Jong, beter bekend als Antje Gerben, Willem was meer dan 30 jaar voorzitter. De huidige voorzitter Rudolf Beijaard en de hoeder (herder) van nu Theo Beijaard hebben te maken met uitdagingen, zoals bodemdaling, zeespiegelstijging en gan-zenvraat, maar uit alles blijkt hun liefde voor dit prachtige gebied.

Een terugblik: de situatie van het gebied rond 1920/1921.

De aanleg van een stuifdijk, aan de Noordkant van de duinenrij in 1893 bleek een ongekend succes. Voor die tijd gebeurde het bij zeer hoog water bij storm- en springtijd dat de Noordzee opeens in verbinding kwam met een slenk en er plotseling een gevaarlijk, zeer sterk stromend zeegat ontstond tussen het eiland Ame-land en Oerd en de Hon. Het Oerd veranderde tijdens zo’n storm opeens weer in het eiland wat het in vroeger eeuwen ooit was. Ger-ben Kienstra herinnert zich de verhalen van zijn moeder: ‘Mannen, nog onderweg met paard en wagen, om hout te jutten voor hun kachels, kwamen vast te zitten achter de razende zeestroom en moesten overnachten totdat het tij weer zakte’. Het moet geen pretje zijn geweest om zonder beschutting in regen en wind een tij af te wachten. Na die aanleg van de Stuifdijk in 1893 kwam een aanslibbingsproces op gang van zware waddenzeeklei op het Oosteinde, het Oerd en Neerlands Reid, met dicht bij het wad de dikste kleilagen. Toen Domeinen het land aanbood aan de Buremer Boerenstand gingen de boeren op 6 november 1920 met elkaar in vergadering. Door 560 aandelen uit te geven van 50 Hollandse guldens kwam de gevraagde Hfl. 28.000 op tafel. Op 6 juni 1921 kon Notaris Poelstra de akte opmaken. Het was het begin van de NV Maatschappij tot exploitatie van Onroerende goederen op het Oosteinde, Oerd en Neerlandsch Reid te Buren op Ameland. Het doel hiervan was gelegen in het verbeteren, het beweiden, het laten aanslibben en bedijken van gronden die gelegen zijn op het Oosteinde, Oerd en Neerlands Reid. Dat dit gebied door hun beheer zou uitgroeien tot een van de mooiste gebieden van Nederland konden de boeren van toen nog niet weten.

Van paal 17 tot aan het Oerdswater: het wilde oosten!

Het vee, lopend in de gezamenlij-ke weide van de Vennoot van paal 17 tot 21 is prachtig te bekijken vanaf het fietspad Hollum-Oerd. Vooral de kudde jonge paarden, vaak aangevoerd door een wat oudere merrie in ruste zijn spectaculair als ze galopperend een duinpas oprennen. De paarden zijn met de zwartbonte runderen te zien vanaf paal 17. In het grote middenstuk zijn de schapen met lammeren te zien. In het laatste stuk van de Vennoot bij de Oerds-duinen zijn de roodbonte koeien te vinden. Op meerdere plaatsen kan publiek het terrein zelf betreden, er is een vrije wandeling mogelijk op de paden (openstel-lingsgebied NB Natuurbescher-mingswet).

Buren in 1921: een eenheid

Maar liefst 71 personen, allen inwoners van Buren, met een boerderij en woonhuis met schoorsteenrecht (brandende schoorsteen in de winter oftewel een bewoond huis) schaften in totaal 560 aandelen aan. Volgens artikel 8 van het Vennootregle-ment heeft iedere aandeelhouder het recht jaarlijks een halfbeest op de gronden te laten weiden tegen een jaarlijks door de aandeelhouders te bepalen vergoe-ding (dus extra te betalen buiten het aangeschafte aandeel). Twee aandelen geven het recht om een volbeest of twee halfbeesten te weiden. Onder een volbeest wordt verstaan een twee- of meerjarige koe, een twee- of meerjarig paard of vier schapen. Onder halfbeest wordt verstaan een hokkeling, een enterpaard of twee schapen. Los van de 560 aandelen kwam nog de regeling voor de Kooiboeren. Door hen werd vòòr 1921 al het gebied van de Kooikersduinen en een stukje van de Vennoot gebruikt voor het grazen van hun vee. De plannen om te komen tot de NV werd door de Kooiboeren aangevochten en voor het gerecht gebracht. De Boerenorganisatie won deze rechtszaak maar kwam met een voorstel: de Kooiboeren kregen grazingsrecht op het door hen gebruikte stuk. Ook dit was gebonden aan strenge voorwaarden: men moest bewonend inwoner zijn van een woning met boerderij op de Kooi (schoorsteenrecht) en eerste gebruiker zijn. Verpachten van het grazingsrecht werd niet toegestaan, wel konden de Kooiboeren onderling de grond gebruiken.

Welke dieren gingen vanaf 1921 naar de Vennootsweiden en wat deden de herders of hoeders?

Gerben Kienstra: ‘De boeren van Buren kochten 451 hectare van Domeinen. Dan bleef er tot aan de duinen nog een gedeelte over van 120 hectare wat Domeinen de boeren ook wel in beheer wilden geven, liever zelfs verkopen. Dat heb ik later mijn opa Georg Kien-stra nog eens gevraagd: ‘Waarom kochten jullie dat niet?’ Zijn ant-woord was: ‘Wij waren boeren, dit duingebied beschouwden we als arme grond, als boerengrond hadden we er geen belang bij. We kregen dit in beheer met een officieel pachtcontract’. Gerben Kienstra vervolgt: ‘En dat is nog de huidige situatie: de Vennoot heeft 451 hectare in eigendom en pacht 120 hectare van Domeinen.
Welk vee ging vervolgens naar deze Vennootsgronden? Dat waren jongbeesten, de rieren en hokkelingen. De tweede tak wa-ren de schapen en de lammeren en tot slot de jonge paarden tussen de één en drie/vier jaar. Zo hielden de boeren alleen het melkvee over op de Grië, die was dichter bij huis en daar hielden ze zelf toezicht op. Voor het toezicht op het jongvee waren twee herders nodig, een voor de Noord- en een voor de Zuidkant. Dat werd in de jaarlijkse vergadering aan de orde gesteld. ‘Wie wil er hoeder worden?’ Er was weinig werk, het waren crisisjaren, dus er waren wel jonge mannen, die er belang bij hadden. Lachend: ‘Meestal hadden ze twee briefjes bij zich waarop hun vraagprijs stond voor die zomerperiode. Was er stevige concurrentie dan dienden ze het briefje met de laagste prijs in, waren ze de enige dan kon de hoogste prijs worden gevraagd. Deze hoeders pasten op het jongvee. De boeren zelf hielden de schapen in de gaten. Dat deden ze bij toerbeurt een week lang. Aangezien er 51 boerderijen waren in Buren was je niet vaak aan de beurt. Wel gaven de schapen veel werk; in die tijd gingen ze nog in de wol naar de Vennoot. Tweede Pinksterdag was dé dag om de schapen te scheren. Voor die tijd was de kans dat schapen op hun rug kwamen te liggen groot, het betekent een zekere dood voor de schapen. Naar hen moest stevig worden gezocht, de Vennootsweide was begroeid met ruigte en vol hoogtes en laagtes, zodat je een schaap gemakkelijk kon mis-sen. Er werden per jaar een 300 schapen op de rug gevonden en terug geholpen. Werd een dood schaap ontdekt, dan was de oppas-ser van die dag zwaar de klos, de boeren accepteerden geen mis-sers’. Theo Beijaard, de hoeder van nu vertelt: ‘Ook nu nog gebeurt het alle dagen dat ik één of twee schapen op de rug tegen-kom. Dat betekent even wentelen en ze lopen weer verder. Vaak kom ik ze tegen in een kommetje of in een spoor’.

Het ‘Rijksdraad’

Willem Kooiker: ‘Het was al snel duidelijk dat het jongvee, de hokkelingen en rieren aan de Noord-kant, zich niet hield aan de Ven-nootsgrenzen, het brak uit en liep op het strand; er was gevaar voor verdrinking van het vee, er moest een afrastering komen. Het betrof hier het gepachte gebied van Domeinen en grensde aan Rijkswaterstaatterrein. De twee instanties zorgden voor de afrastering, die in de volksmond het Rijksdraad ging heten’. Gerben Kienstra: ‘Zij hebben dit gedurende de afgelopen 100 jaar altijd onderhouden’. Eenzelfde gevaar dreigde ook aan de wadkant, om aan de stekende horzels te ontkomen liep het vee bij laag water het wad op en waren bij opkomend water moeilijk te vangen. Ook aan de wadkant werd daarom afrastering geplaatst, bekostigd door de Vennoot.

De glooiing aan de wadkant; vanaf het eerste begin een zwakke plek.

Al in 1924 maakte de jaarvergade-ring melding van grote zorgen over de afkalving van deze oeverkant. Willem Kooiker gebruikt bij zijn uitleg een mooi Amelander gezegde: ‘’t Lân leit foar eb en floëd’. Hij bedoelt: het is onbedijkt land, ten prooi aan iedere eb en iedere vloed. In 1924 en in 1929 diende de NV daarom bij Rijkswaterstaat een verzoek in om de kwelder tegen afkalven te beschermen. In 1929 luidde het antwoord negatief met als motivatie dat Ameland dat jaar al genoeg geld had gekost. Ook was er nog geen echte weg naar de Kooiplaats, maar het verzoek om daar verbetering in aan te brengen kreeg geen positief vervolg. In de jaren vijftig erkende men bij Rijkswaterstaat het sociaal belang van het Neerlandsreid voor de agrarische gemeenschap van Buren. In het voorjaar van 1961 werd een kwelderrandverdedi-ging aangebracht van een riet-matconstructie met daarover een bekleding van asfalt. Toch begon die constructie gebreken te vertonen. Ook nu verdween kweldergebied. Gerben Kienstra: ‘Ik denk dat wel zo’n 20 hectare verloren ging’. Willem Kooiker vult aan: ‘Ik denk zelfs van meer’. In 1995 werd op initiatief van de Gemeente Ameland een projectgroep gevormd om verdere afkalving tegen te gaan, waarin de Vennoot zitting nam. Ook het ministerie van Landbouw, Na-tuurbeheer en Visserij, Rijkswa-terstaat, de Provincie Friesland en de Gemeente Ameland maakten deel uit van de werkgroep. De kosten van Hfl. 2.100.000 werden over de partijen verdeeld, waarbij de Vennoot Hfl. 600.000 voor haar rekening nam.

De herders of hoeders

Ook nu nog houdt hoeder Theo Beijaard dagelijks toezicht op het vee. Nu doet hij dat op een lichte motorfiets, maar in 1921 werd alles te voet afgelegd, dagelijks betekende dat uren lopen voor de herder. Vooral in het vroege voorjaar en in de herfst was het een koude baan. Er was geen geld voor behoorlijke kleding en schoeisel. Het is vaak voorgeko-men dat de hoeder op blote voeten al die dagelijkse kilometers aflegde en hij zijn voeten warmde in de warme urine van een koe om weer wat op temperatuur te komen. Een van de eerste hoeders was ’s Jacobs Dirks Kooiker, hij had als jonge man aan het eind van de 19e eeuw op zeilschepen naar Indië gevaren en vertelde graag over zijn zeemansloopbaan. Zijn zoon Jaap ging al op elfjarige leeftijd rond vijf uur ’s morgens met zijn vader ‘Oost-an’. Om negen uur was hij weer terug om naar school te gaan. Ieder dier droeg een klosje om herkend te kunnen worden. Het aanbrengen van de klosjes en het nummeren ervan hoorde bij de taak van de hoeder. Dat ging in overleg met de pen-ningmeester van de Vennoot. Behalve het in orde brengen van de klosjesadministratie verzorgde de hoeder onderhoud aan stekken, afrasteringen, hekken en bruggen. Bij het hoeden van het vee was het een van de voornaamste taken van de herder om ‘speulske’/tochtige rieren te vangen en naar de stierhouder te brengen, eerst alleen bij Douwe de Jong (later Jan (van Gerardus) Metz), later kwam er een tweede stier bij, die werd gestald bij Rikus Kooiker. Hoewel de rieren in die tijd nog hoorns hadden en ze met lasso’s gevangen konden worden was het moeizaam werk. De opgejaagde jonge koeien belandden soms op het wad of in de strandsduinen voor de herder ze te pakken had. In het najaar als alle koeien gedekt waren, kregen de hoeders Dirk en Jaap Kooiker, die hun vader opgevolgd waren wat meer tijd, die gebruikt kon worden voor stropen en vissen. Er was in die tijd net na de oorlog aan konijnen en vis geen gebrek. Van hoeder Jaap Tieman zijn nog notities bekend dat per jaar 170 rieren naar de stier werden gebracht. De hoeder van nu, Theo Beijaard hoeft geen rieren meer naar de stier te brengen. Hij vertelt: ‘De koeien zijn al geïnsemineerd. Wel houd ik in de gaten wanneer ze gaan afkalven. Dan zoek ik contact met de boer om de koe naar huis te halen’.

De Oerdhut en het Theehuis

In de vergadering van 1932 werd voorgesteld om een theehut te bouwen. Met name Pastoor Koel-man, die vanaf toen de vergaderingen van de Vennoot bijwoonde, was er een groot voorstander van. Zijn betoog is bewaard gebleven: ‘Zeer eerwaarde betoogt dat het nut heeft voor de veehouders die hun vee komen nazien of afhalen om bij regen of slecht weer daar eenig onderdak te vinden en verder om gedurende het zomerseizoen aan eigen of vreemdelingbezoekers consump-ties ten voordeele van de NV Vennoot te verkoopen’. Vanuit de vergadering wordt tegengas ge-geven en nog wel op het terrein van de pastoor zelf: men wijst op het zedelijk gevaar en verloop der Zondagse Godsdienstoefening. Maar de Theehut komt er! Met uitkijktoren! Gerben Kienstra: ‘Nog maar een week geleden trof ik in de papieren van mijn grootvader Gerben de Jong de voorwaarden aan van ‘het pachten der Oerdhut’ van 10 juli 1933 tot 15 october 1934’. De bezwaren, die de leden inbrachten tegen het enthousiaste betoog van pastoor Koelman zijn meegenomen: in de pachtvoorwaarden staat het volgende: ‘De pachter heeft streng toe te zien, dat er in of bij de hut absoluut niets gebeurt dat in strijd is met de zedelijkheid. Geweerd moet worden, ieder die niet volgens de betamelijke mode gekleed zijn, dus niet in strandpyama’s of badcostuums’. Helaas is het niet zo rendabele theehuis in 1943 op last van de Duitse bezet-ters afgebroken.
Ook in 1933 verscheen een solide gebouwde hut op het zuid-west gedeelte van het Oerd. De broers IJsbrand en Willem Metz bouwden samen met Rikus Oud en Jaap Metz deze hut met stenen, die ze had-den opgegraven en die eens ge-bruikt waren voor de huizen van het dorp Oerd. Van maandag tot zondags kerktijd bleven ze daar bouwen en leefden van visvangst en stropen.

Ernstig vliegtuigongeluk in de nacht van 19 op 20 februari 1943.

Het heet nog altijd het vliegtuig-plak. Een Engelse Sterlingbom-menwerper stortte daar neer en de zevenkoppige bemanning kwam om het leven. Ze liggen naast elkaar begraven op het Algemene Kerkhof in Nes.

Boerderijen op de Vennoot en het Oerd?

In de naoorlogse jaren werd voedselproductie zeer benadrukt. Viel ook op de Vennootgronden voordeel te behalen met het strooien van kunstmest? Vanaf 1950 werd daarmee op proefveldjes onder leiding van bestuurslid Sip de Jong geëxperimenteerd. En het werkte. Met een hogere opbrengst was het mogelijk meer dieren toe te laten tot de Vennootsweide. Er werden 70 aandelen extra uitgegeven, aangeduid met weiderecht. Vanaf toen werd gedurende tientallen jaren kalkstikstof gestrooid, maar pas na het Paas-weekend. Toenmalig bestuurslid Douwe Molenaar hield daar streng toezicht op; het Paasweekend is immers berucht om zijn hoge waterstanden en dan zou alle kunstmest weer verdwenen zijn.

Men hield zich op het naoorlogse Ameland ook bezig met plannen om te komen tot een eventuele drooglegging en ontginning van de Greppel- en Putglop, zelfs werd gesproken over bedijking, inpoldering, beglooiing, egalisatie, ontwatering en de aanleg van een harde weg richting het Oerd, waardoor nieuwe boerderijen konden ontstaan op de Vennoot en het Oerd. De berekende Hfl. 1.200.000 voorbereidingskosten werd toch als te duur gezien. Gerben Kienstra: ‘Subsidiegelden zijn in de jaren zestig op Ameland toch besteed aan de bouw van de boerderijen in de Ballumer Miede’.

Hoe wordt een overval voorkomen?

Een voorval uit de tijd dat hij pas secretaris werd, staat Gerben Kienstra nog voor ogen als de dag van gisteren. We schrijven 1972. ‘Er werd geld geboden voor aan-delen van de Vennootgrond’, vertelt Gerben. ‘Veel hogere bedragen dan de Hfl. 50 die de aandelen in 1921 kostten. Notaris Rademakers maakte ons als bestuur attent op de mogelijkheid dat op deze wijze aandelen zou-den kunnen worden verkocht. Het is beter daarom een B.V., een besloten vennootschap op te richten in plaats van de huidige N.V. vertelde hij ons, daarmee voorkomen jullie een overval. Hij is zelf naar de jaarvergadering toegekomen om de leden voor te lichten en kreeg de vergadering mee. Zo is de vennoot nog altijd een gebied van de boeren geble-ven. Om de verandering door te voeren werden de voormalige aandelen voorzien van een stem-pel ongeldig, maar werden de aandelen op nummer ingeschreven in een registerboek.’

Problemen en kansen in de huidige tijd

Voormalig voorzitter Willem Kooiker begon in de jaren tachtig, het begin van de aardgaswinning op en rond Ameland. Hij werd in zijn beginjaar geconfronteerd met duizenden rotganzen, die de vennootsweide beweidden van oktober tot eind mei. De Vennootsvoorzitter van nu: Rudolf Beijaard en ook herder Theo Beijaard kennen inmiddels de gevolgen van zowel de gaswinning als de jarenlange beweiding door brand- en rotganzen. Voor het bestuur van nu: Rudolf Beijaard, voorzitter, Douwe Molenaar, secretaris, Os Metz, penningmeester, Martijn Beijaard en Robert Metz, leden, kwam daar het besef bij te maken te hebben met de zeespiegelstijging. Theo Beijaard: ‘Toen mijn voorganger Tiemen Kooiker begon in 1982 kon hij erop rekenen dat de Oerdsloot overstroomde bij een te verwachten waterhoogte van + 1.80 meter. Ik weet inmiddels dat de Oerds- en Vennootsvlakte overstroomt bij + 1.47 en dat is na 21 juni, de langste dag, bijna iedere volle en nieuwe maan. Behalve het vee waarop ik pas, vreten er tot eind mei 35.000 brand- en rotganzen mee’. Willem Kooiker: ‘Ameland en de Vennoot ligt precies op de route van de ganzen, die vanuit Engeland beginnen aan hun tocht naar Siberië, waar ze broeden. Dus foerageren ook deze ganzen nog op hun tocht naar het noorden. Vaak zijn pas rond 28 mei de ganzen verdwenen’. Dat heeft gevolgen voor de datum waarop de boeren hun vee naar de Vennoot kunnen brengen. Willem Kooiker: ‘In vroeger tijden kon het vee op 10 april naar de Vennoot, dat werd later 15 april. Maar inmiddels is 1 mei eigenlijk al te vroeg. Er is dan nog te weinig te vreten’. Rudolf Beijaard: ‘Samen met mijn oom Paulus (Brouwer) vormde ik vroeger een beweidingscommissie. We bepaal-den dan wanneer de schapen naar de Vennoot konden, of er wel of niet genoeg gras stond. De scha-pen scharen we op advies van veearts Schols in één keer in. Niet alleen de meer voorkomende overstromingen en de ganzenvraat bepalen de hoeveelheid gras voor de dieren, ook een schrale oostenwind en droogte kunnen de groei beïnvloeden’. Theo Beijaard: ‘Tegenwoordig raad ik boeren soms aan: hou ze nog maar een weekje thuis’. Rudolf: ‘Maar één mooie regenbui in de lente kan een wereld van verschil maken’.

Plannen voor de toekomst

Voorzitter Rudolf Beijaard: ‘We doen als bestuur en aandeelhouders van de Vennoot ons best om het gebied zoals het is te bewaren voor de toekomst: met duinlandschap en kwelder. In de Kooiduinen willen we daarom de bebossing aanpakken. Met de provincie Fryslân zijn we in gesprek om een plan te maken om de erosie van de kwelder te stoppen. In de afgelopen droge zomers was het water in de dôbbes soms onfris. Op verzoek van de aandeelhouders is waterleiding aangelegd. Het dagelijks vullen van de waterbakken met vers leidingwater gebeurt automatisch met een vlotter. We zijn ons ervan bewust wat een voedingsrijk gebied we aanbieden aan de dieren, die hier weiden. Dat is te proeven aan het vlees. Daarom zoeken we naar een ma-nier om zowel het schapenvlees als het rundvlees via een keurmerk extra aan te prijzen. We hopen daarmee ook jonge Ame-landers te stimuleren in het voetspoor van hun ouders te stappen en te blijven boeren in de toekomst’.

Zijn vrouw Renate geeft een mooie slotopmerking mee: ‘Dit gebied is mij zo dierbaar. Vergeet niet op te schrijven dat mensen toch vooral moeten genieten. Het gebied heeft zoveel moois te bieden…’.

Voor dit artikel raadpleegde ik het boek ‘Van Boerenstand tot Vennoot’ te Buren op Ameland, geschreven door P. Heslinga. Wat heeft hij de geschiedenis van agrarisch Ameland tot in detail beschreven.
Verder las ik van O. Straatsma het boek ‘Ameland, verrassende inkijkjes in de rijke geschiedenis van het eiland Ameland’.
Ik dank Willem Kooiker, Gerben Kienstra, Rudolf Beijaard en her-der Theo Beijaard voor hun uitleg over het functioneren van de Vennoot. 100 jaar is een lange tijd, waarin de respectievelijke besturen er in geslaagd zijn uit-voering te geven aan wat hun grootouders in 1921 voorzagen: op deze manier is dit prachtige Amelander gebied in Amelander handen gebleven.

Amelandfoto-vennoot-17
a385bcf0-3ee2-459f-8b39-11d1121a2348
Amelandfoto-vennoot-7
Amelandfoto-vennoot-1-2
e954fe4a-b104-461b-97cc-0e979254cf8f
c687f192-aa07-4c9b-b205-adc0c413a412
950d8838-9c9b-438a-9eea-fd7f1b1d425a
073f8a4b-1724-4bc3-abe0-352b8c42096b
9e315cb7-275f-42e3-92d9-af7bebd2b9b8


© 2021 De Amelander. Alle Rechten Voorbehouden. Design by Webtool4all