• 0519-555100
  • 06-22485795
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Welkom op deamelander.nl

Hoe schrijver Jan Blaak zijn hart verloor aan Ameland

Ooit ging hij als zeventienjarige met een ploegje knapen naar Terschelling. Ze kwamen er op zaterdag aan, maar op maandag al nam Jan een rigoureuze beslissing. Hij wist dat zijn ouders op Ameland op vakantie waren en verliet Terschelling. Met een tweetal andere maten stapte hij op de veerboot naar Harlingen, nam de trein naar Leeuwarden en vervolgens de bus en boot naar Ameland. Hoe komt het dat een man gedurende zijn hele leven, als kind, tiener, jonge vader en oudere man zo hield van een eiland? Op Terschelling zou hij niet terugkeren.

De eerste vakantie na de oorlog

Jan Blaak vertelt: ‘Net na de oorlog werd ik geboren op 29 juni 1945. Mijn vader had een boot- en sloepbouwerij in Hoogezand. In de periode die hieraan vooraf ging, de oorlogsperiode, had mijn moeder een enorm verlies geleden, haar broer was samen met een andere verzetsstrijder in 1944 doodgeschoten door de Duitsers, hij was pas 22 jaar. Mijn moeder had het er zó moeilijk mee en mijn vader maakte zich zorgen om haar. Hij deelde zijn zorgen met een klant, de heer Schuiling uit Sint Annaparochie, die een sloep bij hem liet bouwen. ‘Ie mouten er ’s uut, Blaak’, zei Schuiling op sien Grunnings. ‘Woar mot’n we heen?’ vroeg mijn vader zich af. ‘Deer surg ik wel voor’, moet Schuiling gezegd hebben. Een aantal maanden later deed Schuiling een voorstel: een vakantie bij de familie Piet en Nel Boelens. Dat is op Ameland, vertelde hij erbij. Zo hebben wij de familie Boelens leren kennen. We werden op 29 juni 1946, op mijn eerste verjaardag, opgehaald door een taxi van Bierma uit Holwerd. Een grote zwarte slee met Bierma zelf als chauffeur kwam voorrijden. We reden niet onmiddellijk door naar de boot, maar Bierma bracht ons eerst bij Hotel ‘De Klok’ in Holwerd, voor een kopje koffie voor mijn ouders en limonade voor de kinderen. Na een uurtje kwam Bierma ons weer ophalen en bracht ons bij de veerboot Waddenzee van Kapitein Henny Keijer. Piet en Nel Boelens zijn in mei 1946 getrouwd en hadden nog geen kinderen, later in 1947 werd hun oudste zoon Tiemen geboren. We bleven een maand, dat wil zeggen, mijn moeder en de kinderen. Mijn vader ging regelmatig terug naar het bedrijf.’

Bij kapitein Keijer in het stuurhuis

‘Toen ik een jaar of vier was zijn we eens afgereisd in Bierma’s taxi terwijl ik ziek was, ik had geelzucht. Mijn moeder was bezorgd, kon dat wel? Reizen met een ziek kind? Maar we kregen toestemming van de huisarts. Toen ze met mij bij de boot stond met allemaal wachtenden nog voor ons, vroeg ze zenuwachtig aan een van de politieagenten of ze niet voorbij de rij wachtenden aan boord kon met mij. De agent nam geen halve maatregelen; hij schreeuwde naar de verderop staande collega: ‘Deze vrouw is ziek, ze moet naar de boot’. We kwamen samen in de stuurhut terecht van kapitein Keijer, mijn moeder op een stoel, ik op een halfhoge kast waardoor ik naar buiten kon kijken. Ik ben het nooit vergeten, halverwege de reis zei Keijer: ‘Jan, moste ’s even achterom kieken: daor hangt een bootie, die het dien pa maokt’. En inderdaad daar zag ik een reddingsbootje, een sloep gemaakt door mijn vader.’

Jammer genoeg weg bij de molen

‘Een paar jaar later kwamen ook vrienden van mijn ouders op het eiland. Met hen deden we uitstapjes. Zo herinner ik me ons uitstapje naar de vuurtoren in Hollum. Jacob Wagenaar kwam voorrijden in zijn busje met de gordijntjes. Snorreman noemden wij hem vanwege zijn prachtige snor. Samen met de familie Woldhuis waren we met meerdere kinderen van dezelfde leeftijd. Op deze uitstap ontdekten we dat Ameland veel en veel groter was dan ons speelterrein rond het huis van de familie Boelens in Nes en het strand, de zee en het bos. We vertrokken in de ochtend en rond een uur of vier/half vijf bracht Wagenaar ons via Ballum weer terug. Toen we uitstapten zei mijn vader: ‘Wagenaar en ik hebben een probleem’. Het bleek dat mijn vader zijn stok had laten staan in de vuurtoren. ‘Is het nait aanders’, vroeg Wagenaar, ‘alles komt goed’. En inderdaad, een paar uur later stond de stok van Blaak weer geparkeerd bij de Molenweg 148 in Nes. Mijn vader en Wagenaar zijn er een borreltje op gaan drinken bij Hotel de Jong. In 1954 was het gezin Boelens gegroeid tot vader en moeder en tien kinderen. ‘Ons gezin wordt te groot, u moet eens kijken of u iets anders kunt vinden’, vertelde Nel. Het was jammer, we waren er bijna tien jaar geweest, in het voorste gedeelte van de boerderij, bij de molen.’

Naar de Scheltema’s aan de Reeweg

‘In 1955 was de laatste vakantie bij Piet en Nel Boelens. Mijn vader heeft in het voorjaar van 1956 gebeld met Heere Scheltema. Hij deelde hem mee dat hij het linker gedeelte van de dubbele woning aan de Reeweg van zijn schoonzus Neeltje Scheltema-de Grauw kon huren. Hij moet het hebben besproken met Heere Scheltema, de eigenaar van Hotel Scheltema. Mijn vader kwam er vaak als wij op het strand waren om te spelen, wij als kinderen keken ’s avonds vaak door het raam naar het dansen en de muziek. Gedurende de zomer woonden de Scheltema’s in het hotel, maar ze hadden een dubbel huis in Nes aan de Reeweg. Daar lag de oplossing: eerst woonden we ’s zomers in het linker gedeelte, de woning van Scheltema’s schoonzus Neeltje de Grauw en na een jaar of twee mochten we wonen in Scheltema’s eigen huis, het rechter gedeelte. Zelf was de familie immers toch in het hotel. Het waren gouden jaren voor mij. Ik was al wat ouder en trok er alleen op uit. De weg in het bos, alle paadjes kende ik, als mijn ouders eens meegingen vroegen ze me: waar moeten we heen, Jan. In die tijd gingen we met mijn twee oudere broers en mijn zus, samen met andere kinderen, al met al zo’n tien personen lopend naar het Oerd. We begonnen op het strand en staken bij paal 21 over. Dan gingen we eerst de donkere bunker in, die toen nog toegankelijk was. We bekeken alles en klommen door de pijp heen naar boven. De terugweg kozen we langs het wad. Aan het eind van de middag kwamen we weer thuis aan, waar mijn moeder een grote pan eten voor ons op tafel zette. Ik denk dat ik in die jaren waarin we aan de Reeweg in Nes woonden, Ameland als mijn eiland ging beschouwen. We hadden zo’n plezier, de vakanties waren de mooiste herinneringen uit mijn jeugd.’

Het pension van Epke van der Geest en een speciale ontmoeting in 1970

‘In 1966/1967 kwam Heere Scheltema helaas te overlijden. Toch woonden we nog tot 1970 in het huis aan de Reeweg, maar er kwam een einde aan. Mevrouw Scheltema zette eerst met haar dochter Margot en zoon Jan het hotel voort. Ze had een eerste kelner, Dick Metz, die ze woonruimte gedurende het hele jaar wilde aanbieden. Mijn vader sprak erover met Epke van der Geest, wethouder en strandwachter. Voor die tijd was hij jarenlang samen met Anne Olivier beurtschipper geweest op het wad met het schip de Friesland. Zelfs had hij een veerdienst gerund: Ballumerbocht – Zwarte Haan. Die bood ons aan om in 1971 in zijn pension te wonen. Gelukkig maar, we zouden in dat jaar immers vieren dat we 25 jaar naar Ameland gingen.

Van der Geest was enorm geïnteresseerd in de Amelander geschiedenis. Hij reisde vaak naar Tresoar in Leeuwarden om te zoeken in archieven. Die interesse sloeg over op mij, ik beschouw het als een groeiproces, groeiende interesse in de Amelander geschiedenis en de omgang met Epke van der Geest was een bouwsteen in het proces. Maar er was een andere ontmoeting is 1970, die mijn leven voor altijd zou veranderen. Ik ontmoette Henriëtte in de maand april, net na Pasen. In de zomer verbleef ze bij ons nog in het huis van de Scheltema’s. Op 8 augustus 1970 zijn we op de Kaapsduun van Nes verloofd, er stond daar eertijds een bankje en daar was het dat we onze ringen uit het doosje hebben gehaald en aan elkaars vinger hebben geschoven. Met de boot van half vijf zijn we weer terug gegaan naar de vaste wal. ’s Avonds was er een feestje voor ons georganiseerd bij Henriëttes ouders. Maar het jaar 1970 had nog meer goeds voor ons in petto. In september raadde een neef mij aan om me te laten inschrijven bij de woningstichting. Het zou zo kunnen zijn dat je jaren ingeschreven moest staan om in aanmerking te komen voor een huurwoning. Maar al half oktober hoorden we dat er een vrijwel nieuwe flat voor ons beschikbaar was… ‘Zeg het maar’, zei ik tegen Henriëtte. Zo kwam het dat we elkaar leerden kennen, ons verloofden en trouwden in 1970: op 9 december gaven we elkaar ons ja-woord. Op die dag is mijn vrouw met mij getrouwd maar ook met Ameland… Eigenlijk hadden we op 2 december willen trouwen en dan bij Hotel de Jong logeren. Dan hadden we een geweldige kans om het Sunneklaasfeest mee te maken. Mijn vader, toen nog wethouder van Hoogezand – Sappemeer had echter een belangrijke vergadering dus werd onze trouwdag verschoven naar 9 december. Het bekijken van het Sunneklaasfeest hebben we een jaar later nog ingehaald.’

Naar Duinoord

‘In 1971 ben ik naar Tjeerd Kooiker gegaan. Op mijn vraag of er een tent voor ons beschikbaar zou kunnen zijn, antwoordde Tjeerd: het komt wel goed. We kwamen in tent Kampvreugd, gedurende drie jaar vierden we daar vakantie. Zo zou het ook gaan in 1972, onze dochter Saskia was nog geen jaar. Op de bewuste vrijdag 11 augustus zouden mijn schoonouders een dagje komen. Bij aankomst in Holwerd zagen zij boven het eiland een diepzwarte lucht. Het bleek dat boven Duinoord een fatale windhoos had gewaaid, het was een rampgebied, wat ze bij aankomst aantroffen. Toch kampeerden we tot 1975. Inmiddels was in 1973 onze Andries geboren. In 1974 heb ik Tjeerd Kooiker gevraagd of er ruimte was op Duinoord voor een caravan. In februari 1975 kregen we bericht van Tjeerd: ‘Kom maar met je caravan’. We hebben er jaren gestaan, zelfs toen ik ziek werd. Mijn schoonvader hielp me nadat ik ME (een nog steeds onbegrepen ziekte, die chronische vermoeidheid veroorzaakt) had gekregen in 1989. Tot mijn schoonvader overleed in 1995. Vanaf die tijd komen we jaarlijks bij Dirk en Ida van der Geest. Dirk zei me: ‘Boven staat een kamer leeg, je kunt komen wanneer je wilt. Om zes uur is het eten klaar – als je er niet bent, heb je pech gehad.’

Duizenden postkaarten

‘Het was in de tijd van mijn eerste baantje. Op de veerschepen, die toen voeren: de Johan Willem Friso, de Willem IV, de Anna en de Maria Louise was het verboden de koffers mee naar binnen te nemen. Die werden buiten tegen de wand van de salons gezet. Een van die jonge mannen, die zich daarmee bezig hield was ik. Ik kreeg te maken met een heel recalcitrante mevrouw, die er op stond om haar grote tas mee naar binnen te nemen. Ik ging in discussie: ‘Mevrouw, dat is verboden’. Toen schoot Kapitein Keyer me twaalf jaar na de eerste keer weer te hulp: ‘Mevrouw, wilt u even naar deze man luisteren?’ en ze gaf toe. De koffer kwam tegen de salonwand. In die tijd verzamelde ik ansichtkaarten. Ik weet nog dat ik rond mijn twintigste dacht: ik heb nu 150 kaarten, dat zal het wel wezen, maar ik vergiste me. Ik zou tot 6.000 ansichtkaarten verzamelen, onder andere op beurzen, allemaal van Ameland. Ik kocht ook ieder boek over Ameland, wat ik kon bemachtigen, ik heb er zo’n 400, waaronder een aantal heel oude exemplaren. Maar in de tijd dat we ieder jaar woonden aan de Reeweg, in hartje Nes, sprak ik ook veel mensen: Walraven Hofker bijvoorbeeld, Gabe en Heere Scheltema, Jan de Jong van Hotel de Jong maar ook Epke van der Geest en Joop Steinvoorte bleef ik zien, Cor Gransbergen, Dokter Straatsma en Ben Edes. Nog eens die verbinding met het eiland was een groeiproces, je komt er alle jaren weer, je geniet er alle jaren weer. De mensen vertelden me de verhalen over vroeger tijden, maar ook het dagelijks leven. De combinatie van het lezen van de boeken en het aanhoren van de gesproken verhalen maakte me nieuwsgierig, Epke van der Geest kon dan opeens met feiten uit archieven aankomen, zodat alles op zijn plaats viel. Daarnaast ging ik met mijn vader naar Ouwe Pôlle-avonden. Eerst nam hij mij mee, later was het andersom. Een andere hobby was fotograferen: ik kocht mijn eerste fototoestel, een Zenith in Den Haag in 1963 aan het begin van mijn marinetijd. Later schafte ik ook alles aan wat nodig was voor ontwikkelen en afdrukken, ik had een complete donkere kamer. Ik was er 600-700 gulden voor kwijt. Ik was van plan daar een brommer van te kopen: een Puch, maar koos toch voor de fotografie. Nog altijd heb ik op al mijn fietstochten een fototoestel om mijn nek hangen als ik fiets over de dijk naar Delfzijl, richting Eemshaven.’

Uitgave van een tiental boeken

‘In 1982 kwam mijn eerste boek uit: ‘Ameland, historisch geschetst’. Het zijn de herinneringen van de Amelander Jacob Visser. Zijn zoon woonde lange tijd in Appingedam en vertelde me van het dagboek dat zijn vader had bijgehouden. Samen hebben we dat bewerkt. De foto’s in het boek vertellen het leven van Jacob Visser en zijn vrouw Aaltje van Til, de gemoedelijkheid van het eiland, de bijzondere gezegdes en woorden, de sprookjes en het bijgeloof, maar ook over het dagelijks leven van de varensman, die Jacob Visser was en later zijn leven als loods.
Het tweede boek wat uitkwam was ‘Nostalgisch gezicht Ameland’ in 1984. Beide boeken werden uitgegeven door uitgeverij Noorderboek, die ook de drie volgende boeken uitgaf: ‘Ameland, zo is Nes’ in 1986, ‘Ameland, zo is Ballum’ in 1987 en in datzelfde jaar kwam ook ‘Ameland, zo is Hollum’ uit. Hier kwam mijn jarenlang beoefende hobby van de fotografie van pas. Jetta Klaassen-van den Brink sprak historische, profetische woorden bij het uitkomen van deze boeken: ‘over twintig jaar is alles veranderd!’ En ze kreeg gelijk.

Ook in 1987 kwam ‘Ameland, badleven en kamperen op Duinoord’ uit, gevolgd door ‘Het Reddingwezen op Ameland’, met een eerste druk in 1987, een tweede druk in 1992 en een derde druk in 2005. Al met al werden hiervan 5.000 boekjes verkocht en dat maakt me best trots! In dit boek worden alle reddingen beschreven waarbij de reddingboten van Hollum en Nes in actie kwamen van 1824 tot 1987.

In het jaar 1990 kwam ‘100 jaar erf- en vrijvrouwe van Ameland’ uit. In dit boek wordt de historische band beschreven van het Oranjehuis met Ameland, 1990 was het jaar waarin herdacht werd dat 100 jaar eerder, in 1890, het prinsesje Wilhelmina van toen tien jaar oud haar vader Koning Willem III opvolgde als koningin van Nederland en dus ook vrijvrouwe van Ameland werd.

‘De geschiedenis van de Koningin Wilhelminaschool op Ameland’ was een volgende uitgave en in 1992 bracht Stichting de Paardenreddingboot het wat beknoptere boekje ‘Ameland, van Jutter tot Redder’ uit. Het is een uitgave speciaal voor scholen, maar ook dit boekje werd weer goed verkocht. Voor de tweede druk heb ik het boekje nog wat aangepast en enige verbeteringen aangebracht. Samen met Sipke de Wind schreef ik ‘Ameland Sperrgebiet’, wat de oorlog 1940-1945 beschrijft op Ameland.

Het daaropvolgende boek ‘Genealogie van de familie Scheltema’ heeft alles te maken met het feit dat we jarenlang gebruik mochten maken van hun familiehuis. Een van de mooiste herinneringen is voor mij de reünie van 125 Scheltema’s in het hotel van mevrouw Biesheuvel-Wagenaar, die plaats vond in 1990. Na enig sneupwerk had ik hun voorvader gevonden, die als eerste vanuit Harlingen naar Ameland was gekomen: de chirurgijn Jan Scheltema.

Met veel genoegen denk ik ook terug aan de neven- en nichtendag van de Familie van Heeckeren, waarbij we het Freulehuus bezochten, het huis waar de burgemeesters van Heeckeren woonden. In de 19e eeuw waren ze voor een korte periode kasteelheer en grietman op het Slot in Ballum en daarna in drie generaties burgemeester van Ameland.
Tot slot werd in 2010 ‘Ameland, veranderd gezicht’ uitgegeven in 2010. Er kwam een tweede druk in 2011 en een derde druk in 2014.’

Nawoord Joke Mosterman: in deze coronatijd was het niet mogelijk om Jan Blaak te gaan opzoeken in Appingedam. Daarom deden we dit interview in een vijftal telefonische gesprekken rond koffietijd. Ik denk niet dat er veel eilandgasten zijn, die zó dit eiland trouw zijn gebleven en er zoveel voor hebben gedaan. Jan Blaak heeft in de ruim tien boeken, die hij schreef over Ameland de geschiedenis van het eiland kunnen vastleggen. Niet alleen zomaar de geschiedenis maar ook vertaalde hij de gevoelens van de inwoners voor hun eiland. En dan te bedenken dat dit allemaal niet was gebeurd als hij als zeventienjarige toch zijn hart had verloren aan Terschelling….

Ambla-32
Blaak-1946
-Jan0aa001
25-jaar-Ameland-12
Ambla-6
25---a
122
zomer-19477
12
DSC04122


© 2021 De Amelander. Alle Rechten Voorbehouden. Design by Webtool4all