• 0519-555100
  • 06-22485795
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Welkom op deamelander.nl

Handelen naar de geest van de wet is eerder mijn handelswijze dan handelen naar de letter van de wet

Gjalt Uilke Wijbenga neemt afscheid bij de Politie

Als hem door het personeel van Wagenborg Passagiersdiensten op de veerboot gevraagd wordt om te bemiddelen staat Gjalt Wijbenga onmiddellijk op. Aan boord is een mondkapje verplicht en bij het aanspreken van een van de passagiers door de bemanning, wordt het dragen van een mondkapje door de passagier geweigerd. Gjalt Wijbenga, in burgerkleding, maakt zich bekend en toont zijn identificatiebewijs. Meer is niet nodig om de passagier te overtuigen zich te houden aan de voorschriften aan boord. Waarom lukt het Gjalt Wijbenga onmiddellijk om iemand wel een mondkapje te laten dragen? Zijn het zijn grijze haren, die verraden hoelang hij al politieman is, of is het zijn overredingskracht? Is het zijn glimlach dan, onder de vriendelijke, maar besliste ogen? Op de middag van dit interview zijn fotografe Nicole Nagtegaal en ik iets na elkaar op het politiebureau. Zij voor het maken van portretfoto’s, ik voor het maken van een geschreven portret. Deze middag kijkt hij terug op zijn lange loopbaan. Hij legt uit wat hem is overkomen en hoe hij tot het besluit kwam om afscheid te nemen van zijn politiewerk op Ameland.

Een interview in plaats van een afscheidsfeest.
Corona maakt het Gjalt Wijbenga niet gemakkelijk, zoals het virus het zovele mensen niet gemakkelijk maakt. Om gezondheidsredenen moet hij op 63-jarige leeftijd stoppen met zijn functie. Normaal gesproken zou er een afscheidsreceptie zijn geweest, zou er aandacht zijn besteed aan zijn vertrek. Na gaat het bijna ongemerkt gebeuren. Zijn vader, werkzaam bij de marechaussee, overleed aan een hartinfarct als 47-jarige. Dat Gjalt zelf genetisch belast is met hart- en vaatziekten weet hij al sinds 2005, toen hij een hartinfarct kreeg. Het feit dat hij rookte en een workaholic was met een heel stevige baan als coördinator van het Crimeteam in Leeuwarden had niet echt geholpen om dit hartinfarct te voorkomen. Na 2005 ging het jarenlang goed tot hij vorig jaar op 22 september die klachten als druk op de borst, pijn in de arm en in de kaak weer kreeg. Gjalt Wijbenga: ‘Het paste me helemaal niet. We zouden gaan eten in het Koaikershuus. Mijn vrouw maakte een reis naar Marokko en was juist die dag vertrokken. Moest ik alles en iedereen ongerust maken? Ik besloot Martine, onze gastvrouw in het Koaikershuus te vragen om twee aspirientjes en zette de avond voort. De dinsdag erop deed ik mee aan een integrale beroepsvaardigheidstraining. ’s Avonds ging het weer mis. Toen heb ik wel 112 gebeld en wat ik veel erger vond om te doen: ik belde mijn dochter. Ze blijft toch altijd je kleine meisje en nu moest ik haar vertellen dat het niet goed ging met mij. Maar ik dacht, ik heb zondag al zoveel geluk gehad, dat krijg ik geen tweede keer, ik moet mezelf wel een eerlijke kans op genezing geven. Ik ben gedotterd en heb drie stents gekregen. Ik stopte met roken. Maar ik was een gewaarschuwd man. Dit tweede hartinfarct heeft me doen relativeren en toen de mogelijkheid zich voordeed om eerder dan bij mijn pensioengerechtigde leeftijd te stoppen met werken, heb ik besloten die kans aan te grijpen’.

Als u alles overziet en terug kijkt, zou u dan weer kiezen voor de politie?
‘Ik weet niet of ik weer opnieuw bij de politie zou willen gaan. Toen ik daarvoor koos, veertig jaar geleden was ik heel erg geïnspireerd door mijn vader. Hij had altijd een uniform gedragen, was bij de marechaussee. Bovendien was het optreden van de politie toen heel mensgericht, nu is het meer protocolgericht. Misschien zou ik nu wel maatschappelijk werk gaan doen. Ik heb de mens achter de begane misstap altijd belangrijker gevonden dan de misstap of misdaad. Ik weet nog dat ik een vijftienjarige betrapte op fietsen zonder achterlicht. Tja, ik kon hem bekeuren of ik kon even met hem mee naar binnen lopen in zijn ouderlijk huis en zijn ouders wijzen op dat kapotte achterlicht. Ze hadden het niet breed. Ik wist dat een bekeuring zou betekenen dat het langer zou duren voor de fiets bij de fietsenmaker werd gemaakt.’

Als ik zo naar u luister dan bespeur ik een groot gevoel voor rechtvaardigheid, een wil om naar het waarom te zoeken.
‘Soms ben ik jaloers op klokkenluiders, mensen die de vinger op de zere plek leggen. In ieder beroep is soms sprake van een ongeschreven competitie, zeker bij het crime-team heb ik dat ervaren en dan ben je wel eens teleurgesteld. Maar het mag niet zo zijn dat wrok of frustratie de boventoon gaat voeren. Als ik dacht daarin fout te zitten, kaartte ik dat aan de volgende dag en zei: ‘Het ging gisteren niet helemaal goed, hoe lijkt het: beginnen we opnieuw?’ Collega’s worden toegewezen, vrienden kies je uit. Ik kon met de meesten van hen goed opschieten. Nu ik afscheid neem, vraag ik me af: Ben ik in mijn beroep rechtvaardig geweest, ben ik zoals ik mezelf als doel had gesteld, altijd voor de zwakkere opgekomen?’

U bedoelt dat er niet altijd een pasklare oplossing bestaat voor een situatie die zich voordoet?
‘Soms lijkt het er niet op: ik herinner me een oude dame, die werd binnen gesleept. Ze had een winkeldiefstal begaan. Ik heb mijn computer uitgezet en gezegd tegen mijn collega’s: we houden op. Toen ik vertelde dat ik haar dochter ging bellen was ze hevig geschrokken en probeerde dat te voorkomen. Ik zocht ook contact met haar advocaat. Wat bleek: de oudere dame had heel kort daarvoor haar man verloren en was zichzelf even helemaal kwijt. Moest ik haar een strafblad bezorgen? Een andere winkeldiefstal werd gepleegd door een jongetje van acht. Hij had frisdrank en koekjes gestolen. Hij komt bij mij en ik vertel hem dat dit niet goed was, hij had straf verdiend. ‘Je krijgt nu van mij straf.’ Ik heb hem in de hoek gezet met zijn handen op zijn rug. Toen zijn moeder kwam om hem te halen, bleek hij een sleutelkind te zijn. Ik heb het jongetje nooit terug gezien, gelukkig. Mijn motto is: Als je ’s avonds voor je naar bed gaat in de spiegel kijkt, moet je jezelf in de ogen kunnen kijken. Dat betekende voor mij wel eens een berisping van een meerdere: brigadier Wijbenga, we zijn heel tevreden, maar je schrijft wel erg weinig bekeuringen uit.’

Op dit moment van het interview nemen we een pauze. Fotografe Nicole wil een rondje maken langs de fotogenieke plekken: zijn bureau en de voorkant van het bureau naast het kleine beeldje. Vervolgens gaan we zelfs nog even naar de cel. Gjalt Wijbenga: ‘Deze cellen worden niet meer gebruikt omdat ze niet de goede lengte hebben. Ze zouden twee centimeter hoger moeten zijn’. Of hij het daarmee eens is valt uit zijn gezichtsuitdrukking niet af te lezen…. Daarna vervolgen we het interview.

Het moet een klap geweest zijn om uw vader zo vroeg te verliezen.
‘Ik kom uit een heel warm gezin, mijn moeder was een schat en mijn zus is dat ook. Hoewel mijn vader jong overleed, heb ik hem goed leren kennen en kennis gemaakt met zijn principes. (Lachend): Toen ik eens iets had uitgevreten wat volstrekt niet door de beugel kon, heb ik de traptreden niet gevoeld onderweg naar mijn kamer boven. Hij was rechtlijnig en breeddenkend tegelijk. Hij hield van de songs van Robert Long, zijn teksten raakten hem als mens. Ik heb veel gereisd, samen met mijn vrouw. Maar wat ik heel graag zou willen is een reis maken over Java. Mijn vader was in Indië bij de Prinses Irenebrigade en ik zou graag zijn routing over Java willen weten, waar is hij geweest, wat heeft hij gezien? Er is veel over geschreven, bijvoorbeeld het boek ‘Op klompen door de dessa’ van Hylke Speerstra, maar dat maakt niet dat ik zijn belevenissen daar ken.’

Zoals uw vader hield van de songs van Robert Long, zo houdt u van Ierse muziek?
‘Ah, dat gaat bij mij veel verder. Ik zing in een Ierse band, we gaan met de band op studiereis naar Ierland, we zingen op plaatsen waar de gebeurtenissen die we bezingen echt hebben plaatsgevonden. Ieren zijn lang onderdrukt geweest. Ik vind het een prachtvolk. Sterker nog: Ierland voelt als een tweede vaderland. Een stad als Belfast, een groep als de IRA, als je daar bent dan voel je het ontstaan ervan. Weet je dat Nederlanders hun aandeel hebben gehad in die strijd: zij brachten het Protestantse geloof naar Katholieke Ierland. Zo ontstond de bron van alle ellende. Maar de Ierse muziek bezorgt mij vooral veel plezier, ik ga ’s avonds graag naar een Ierse pup, waar altijd wel een muzikant optreedt, nog eens: het is mijn tweede vaderland.’

En Ameland dan?
Peinzend: ‘Misschien is dat wel mijn tweede moederland. Ik zal uitleggen waarom. Ik ben in Enschede geboren en heb altijd een mama gehad, maar nu heb ik ook een moeder. Een moeder op Ameland. Tien jaar geleden kwam deze plek vrij op Ameland. Ik was hersteld na mijn hartinfarct in 2005 en kon reïntegreren. Ik werd leidinggevende in St. Annaparochie met 40 mensen onder mij. Iedere maandag werd mij gevraagd wat de bedoeling was, wat hun taak was voor aankomende week. De meesten werkten er langer dan ik. Ik kon daar niet goed tegen, dus ik solliciteerde naar de plek op Ameland. Al op een van de eerste dagen kwam de toen 85-jarige mevrouw Twickler bij me langs op het bureau en bood haar appartement aan, wat zich in haar huis bevindt. Ik besloot haar aanbod te accepteren. In de loop van de tijd ontstond er een bijzondere verhouding tussen deze dame en haar kinderen en mij, we zijn naar elkaar toe gegroeid. Mevrouw Twickler heeft zeven dochters gekregen in haar leven, maar nu vertelt ze me dat ze toch nog haar langverwachte zoon heeft gekregen en haar dochters een halfbroer. Moeder Twickler werd ze voor mij. Ik begrijp wel dat er een oorspronkelijke motivatie was: als ik er ben, met mijn functie als politieman, ontstaat er voor haar veiligheid in huis. Maar er overkwam ons iets: voor mij ontstond er een warm plekje op Ameland en voor haar: ik pas op haar, zorg voor haar medicatie en zal zeker als ik niet meer op het bureau kom mijn taak als mantelzorger regelmatig op me nemen’.

Het lijkt me niet altijd gemakkelijk om op een eiland, waar je bijna iedereen kent, iemand te moeten beboeten.
Dat was eerlijk gezegd lastiger toen ik, in januari 1983 als jong agent begon in Ferwerd, waar ik woonde, en de dorpen er om heen. Het maakt ook verschil of je 20, 30, 40 of 60 bent. Als je als beginnend agent de moeder van je maat moet berispen, of nog erger: je maat op zijn gedrag moet aanspreken, dan heb je te maken met een bijzonder krachtenspel. Met het stijgen van je leeftijd wordt dat gemakkelijker. Ik ben eigenlijk iedere zomer vanwege het waddenpoolen ook op Ameland geweest. Ik meldde me altijd aan, het is altijd mijn eiland geweest, mijn eilander bevolking. Zeker: het is een apart slag volk. Je kunt nog altijd merken dat Ameland vroeger een vrijstaat is geweest. Wat hebben wij met die lui van de wal te maken? Ik ben jager, ik kan me in de gedachtegang van de Amelander goed vinden. Vergeet niet: contact met de politie is vaak gebaseerd op een negatieve basis: al is het maar de aangifte van een vermiste portemonnee, leuk is anders. Als je aangifte moet doen van een inbraak is dat ook een heel negatieve ervaring, een inbreuk op je privacy. Als politieman moet je daar je weg in vinden. Maar de Amelander is in wezen politieminded. Als we moeten ingrijpen in een rel bij een discotheek gaan we daar met twee man heen. We staan als politie bij voorbaat tegenover een overmacht. Zeker kunnen we assistentie inroepen, maar waar komt die vandaan? Van de vaste wal, wanneer kan die er zijn? Dan weten we als agenten dat we op de Amelanders kunnen rekenen, de portier van de disco, maar ook de omstanders. Ik heb hier op Ameland maar één keer hoeven vechten, in mijn hele carrière maar drie keer. Ik hou daar niet van, laat zelfs bijna altijd mijn wapenstok thuis. Ik hoefde hen niet te vragen. Maar tijdens die ene keer voelde ik dat ik kon rekenen op de Amelanders om ons heen. Meestal heb je meer succes met een vermanend woord, of een arm om een schouder. Wat je uitzendt, krijg je terug. Bovendien: iemand die een strafbaar feit pleegt, doet dat niet ten opzichte van mij. Moet ik hem dan boos bejegenen? Ik kies voor neutraal. Bovendien vind ik dat we het moeten opnemen voor de zwakkere in de samenleving. Ik ga op zoek naar het waarom.’

De arm om de schouder, dat werkelijk begaan zijn met iemand, ontstond dat in de loop van uw leven?
‘De arm om de schouder is in onbruik geraakt door de corona op dit moment. Maar toen in deze zomer het Duitse meisje zo ongelukkig verdronk en ik tegenover de ouders en haar zusje stond, bestond er voor mij geen corona. Mijn vrouw is Duitse, dus ik had niet te maken met een gebrek aan het vinden van woorden. Het zijn zulke ingrijpende situaties. Als mens word je door heel veel dingen gevormd: een deel is genetisch bepaald, je omgeving, je opvoeding, de groep waarin je functioneert, een vermanend gesprek, het heeft allemaal invloed. Maar soms moet je ook gewoon afsluiten, zeggen: kom we gaan naar huis. En ik heb een heel fijn thuis, een lieve vrouw en drie kinderen. Barbara was wethouder is de Gemeente Ferwerderadiel, nu, in de nieuwe Gemeente Noard-East Fryslân is ze raadslid. De kinderen zijn alle drie het huis uit en allemaal goed terecht gekomen. Met allen hebben we een frequent, maar vooral goed contact. Ook zijn er nu vijf kleinkinderen, die de komende jaren zeer zeker een gedeelte van mijn tijd mogen opeisen. Deze thuissituatie heeft mij ook gevormd. Dit is de vorm, die je zelf hebt gecreëerd en die je koestert.’

Mag je als politieman er thuis over praten?
‘Je móet je verhaal vertellen. Je hebt na bijvoorbeeld een dodelijk ongeval zoveel te verwerken, beelden die niet van je netvlies af willen. Tegenwoordig is het bij de politie goed geregeld, Je hebt je training gehad, er zijn een aantal vrijwilligers onder de collega’s, die je opbellen na een onprettige of moeilijke ervaring, je kunt naar een psycholoog of psychiater. Maar (glimlachend) wat de professionele ondersteuners niet hebben, is die speciale band met mij, die ik vind bij mijn echtgenote, degene aan wie ik durf te zeggen: het gaat niet zo goed met mij. Het thuisfront is zo belangrijk.’

En nu het afscheid van Ameland…
‘Helemaal afscheid van Ameland nemen, ga ik nooit doen. Mijn grootouders uit Zwaagwesteinde (ik ben een afstammeling van Salomon Levy) kwamen hier al. Via hun vakantie in Hollum kenden we de familie van Piet en Grietje de Boer-Nagtegaal en leerden we Ameland kennen. Als kleine jongen ging ik al met hen het wad op om te môdden: vis voelen èn vangen in de prielen, die overbleven bij eb. Die werden aan een naald en draad geregen en zo kwam je thuis met de gevangen botjes van het wad. Wat smaakten ze! Bij hun zonen kwam ik later ook over de vloer. Wat ik zeker erg missen zal, zijn de gesprekken aan boord van de veerboot. Wat heb ik een speciale mensen ontmoet. En dan is mijn moeder Gerda Twickler-Metz er nog, zij is zeker de reden om regelmatig terug te komen naar Ameland.’

Als we na het interview afscheid nemen, loopt Gjalt Wijbenga met me mee naar de deur. We praten over Ierse muziek. ‘Ieren zeggen bij een afscheid: God bless you’, vertelt hij. En nu bestaat eigenlijk geen betere zin om dit interview mee te eindigen: God bless you, Gjalt Uilke Wijbenga.

NagtegaalFotonl---De-Amelander---Jan-8


© 2020 De Amelander. Alle Rechten Voorbehouden. Design by Webtool4all